vrijdag 20 november 2009

Low-flying aircraft and other stories - J.G. Ballard

Beroepsoplichters weten dat ze met hun verhalen zo dicht mogelijk bij de waarheid moeten blijven — dan worden leugens vlot geslikt. Op eenzelfde manier ben ik veel vatbaarder voor dystopiën die zich in de nabije toekomst afspelen, op deze planeet, dan voor SF-verhalen van schrijvers die alle remmen loslaten. Dystopiën op papier hebben ook nog eens voor op films dat een schrijver niet automatisch zijn toevlucht hoeft te nemen tot spektakel, lawaai en special effects.

In Low-flying aircraft and other stories, bijvoorbeeld, is het leven zowat even opwindend als in een terrarium. De wereld oogt kaal, zanderig, overwoekerd. Wat door mensenhanden is gemaakt, ligt meestal in puin, in staat van ontbinding, wegroestend. Het aantal personages wordt tot het minimum beperkt en hun daden hebben niets heroïsch. De apocalyps heeft al plaatsgevonden — buiten het beeldbereik van het verhaal. J.G. Ballard is Roland Emmerich niet.

Ballard, dit jaar overleden, had zo het pattent op dit type toekomstverhalen dat het adjectief 'Ballardian' het Engelse woordenboek haalde. 'Ballardian' betekent zo veel als: 'resembling or suggestive of the conditions described in J. G. Ballard’s novels and stories, especially dystopian modernity, bleak man-made landscapes and the psychological effects of technological, social or environmental developments'.

Zelf leerde ik Ballard kennen via de indrukwekkende roman Millenniummensen, en eigenlijk is het een raadsel waarom het jaren duurde voor ik nog eens een boek van 'm las.

Om verschillende redenen was ik opnieuw zeer geporteerd voor deze kortverhalen. Uiteraard zijn ze goed geschreven. In tegenstelling met zoveel SF-schrijvers is Ballard een, beladen woord, literator. Iemand voor wie woorden niet zomaar een vehikel zijn om ideeën of gebeurtenissen door de strot van de lezer te rammen. Ballard schrijft met liefde voor het totaaloverzicht en liefde voor het kleine detail, zoals een John Updike zou doen. Een realist is-ie, maar dan eentje die een realistische setting injecteert met het vergif van zijn nachtmerrie-achtige visioenen.

Ballard zit ook niet in het wilde weg te verzinnen. Hij draait de bankschroef rond de werkelijkheid een ietsje aan en ziet dan wel wat er gebeurt. Meer niet. Eén onheilspellende premisse is genoeg.

In het titelverhaal, dat aan de Spaanse kust speelt, slinken de geboortecijfers van de populatie snel, niet omdat de vruchtbaarheid te wensen overlaat, maar omdat steeds meer borelingen misvormd ter wereld komen en daarom meteen worden afgeslacht. Ballard toont de gevolgen. 'The dead astronaut' laat onder meer zien wat voor mensen rondscharrelen op een vergane NASA-basis. En in 'The life and death of God' lijkt God zich eindelijk te openbaren in zogenaamde "ultra-microwaves".

This almost intangible electromagnetic system unmistakably exhibited a complex and continously changing mathematical structure with all the attributes of intelligence.
Alle belangrijke godsdiensten verenigen zich na deze ontdekking. De wereldvrede lijkt even ophanden, maar die is alleen maar desastreus. Niemand durft nog te liegen met een opperwezen op de achtergrond, zodat het handelsverkeer, gebaseerd op leugen, verkruimelt. Sowieso komen alle belangrijke prestaties voort uit de duale (goed/slecht) natuur van de mens. Mensen worden ook overmoedig.
However, a few sporting rifles were retained when the spirit of universal brotherhood produced its first casualty — a Swedish engineer in Bengal who attempted to embrace a tiger. Warnings were issued that an awareness of God’s existence had yet to extend to the lower members of the animal kingdom, where for the time being the struggle for life remained as pitiless as ever.
En omdat duidelijke directieven van God uitblijven terwijl de chaos toeneemt, ziet de zogenaamde Faith Assemby zich ten slotte genoodzaakt openlijk aan het bestaan van God te twijfelen. Het had de synopsis van een roman van José Saramago kunnen zijn. Net zoals mijn favoriet 'The comsat angels', trouwens, over een groep wonderkinderen die achter de schermen alle sleutelposities van het wereldbestel innemen. En niet zomaar.

Toch vermoed ik dat Ballard, in tegenstelling tot Saramago, evenveel wordt gedreven door de esthetiek van de landschappen die hij beschrijft dan door nieuwsgierigheid in de afloop van een gedachte-experiment. Niet alle verhalen hebben een duidelijke clue. Het panaroma weegt zwaarder door dan de plot. Ballard volstaat vaak met enkele vale personages, rommelend in de marge van een vergane wereld. Soms zijn die figuren de enige levende wezens aan de horizon: koningen zonder rijk, urban explorers tegen wil en dank. Sinds ik als kind Robinson Crusoe las, houd ik erg van dat perspectief.

Ballard schildert graag ruïnes, als een romanticus bijna. Vaak starten zijn verhalen idyllisch, menselijk, van dichtbij, om daarna uit te zoemen tot een onherbergzame leefomgeving vol 'industrial waste' zichtbaar wordt. Opener 'The ultimate city' is daar een voorbeeld van. Wat begint met een mooie zweefvlucht eindigt toch weer in kaalgeslagen moderniteit.

Het knappe van 'The ultimate city' is dat de zaken er worden in omgedraaid. Een man die is opgegroeid in Garden City — een maatschappij drijvend op geavanceerde agricultuur en zonne-energie, met inwoners die naar Polynesisch model zijn opgevoed — wordt zowaar bekoord door de aanblik van een verlaten grootstad, en door de rauwe energie van machines en motoren. Zijn tocht door deze wereld van ijzer, glas en chroom krijgt zelfs bucolische trekjes: hij steekt rivieren over, eet bij het kampvuur... Het verhaal eindigt ermee dat een groepje vrijwilligers de stad weer levensvatbaar wil maken. Van microcosmos tot metropolis. Sim City, maar met alle infrastructuur al aanwezig.

Vliegtuigen zijn belangrijk in deze bundel. Om de chaos vanuit de lucht te overschouwen. Om aan de woestenij te ontsnappen. Als luchtbrug. Of als wrak, begraven in het zand — tastbaar relict uit een voltooid verleden. De vliegtuigen in 'The ultimate city' geven dan weer mooi aan hoe de hoofdpersoon evolueert. Het zweefvliegtuigje van eerst moet plaatsmaken voor een toestel met propeller.

Ik weet te weinig af van science-fiction — volbloed science-fiction — besef ik weer eens. Er is zoveel leven na Orwell, Huxley, Calvino of Douglas Adams. Door Low-flying aircraft and other stories ging ik het internet afzoeken naar de meer 'literaire' auteurs in het genre.

Ik kwam met het volgende lijstje thuis: Ursula K. Le Guin, Karel Čapek, Jonathan Lethem, William Gibson, Stanisław Lem, Philip K. Dick, John Wyndham, Robert A. Heinlein, Jevgeni Zamjatin, Ray Bradbury, Samuel R. Delany, Kurt Vonnegut, Robert Charles Wilson, John Scalzi, Arthur C. Clarke, Isaac Asimov, Neal Stephenson, Theodore Sturgeon, Cory Doctorow, Margaret Atwood, Roger Zelazny en Vernor Vinge.

Verdere tips altijd welkom.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

J.G. Ballard, Low-flying aircraft and other stories
191 p.
Uitgeverij Triad/Panther, 1985
Oorspr. (1976)

____

donderdag 19 november 2009

Gespot op blogspot dot com [17]

New York Intellectuals ['reconstituer un aspect de la vie quotidienne et intellectuelle aux Etats-Unis']
> http://newyorkintellectuals.blogspot.com/

The Pulitzer Project ['reading all 82 winners of the Pulitzer Prize for Fiction']
> http://pulitzerproject.blogspot.com/

News from 1930 ['my reading of the Wall Street Journal from the corresponding day in 1930']
> http://newsfrom1930.blogspot.com/

____

Journalisted

"Journalisted is an independent, not-for-profit website built to make it easier for you, the public, to find out more about journalists and what they write about. The site allows you to: search articles published on UK national newspaper websites and BBC News by journalist, news outlet, subject and key word; read all articles by a particular journalist; compare a journalist’s articles with those of other journalists who write about similar subjects; find similar articles to the one you’re reading."

> http://www.journalisted.com/

____

Found in mom's basement

"Vintage advertising — found in my mother's basement, flea markets and various corners of the Internet — dusted off and displayed for your viewing pleasure."

> http://pzrservices.typepad.com/vintageadvertising/

____

The Comics Curmudgeon

Blog on newspaper comics.

> http://joshreads.com/

____

woensdag 18 november 2009

Now & then - Robert Hass

Hallucinant hoe weinig Amerikaanse poëzie er in Nederlandse vertaling verschijnt, in vergelijking met het aantal romans, popsongs en films dat ons uit de States bereikt. Waarom, eigenlijk? Is het omdat er in Amerika, zoals overal, te veel gedichten verschijnen en het overzicht zoek is? Omdat de transatlantische poëzie vaak wordt verpest door Franse theorieën over taal? Of, in het verlengde daarvan, omdat Amerikaanse dichters alleen iets losmaken op universitaire campussen?

Wie dus wil weten wat er leeft in Amerika moet het internet op, of boeken als dit laten invliegen. Robert Hass (1941) — dichter, Pulitzerprijswinnaar, vertaler van Milosz — was Poet Laureate in de Verenigde Staten van 1995 tot 1997. In die hoedanigheid deed hij wat poet laureates meestal doen om poëzie te promoten: lezingen geven, congressen beleggen, een dichtwedstrijd uitschrijven.

Zijn beste zet, of in ieder geval de bijdrage met de meeste weerklank, lijken me evenwel de stukjes die hij schreef voor de Washington Post toen zijn ambtstermijn zowat ten einde liep. Op verzoek van de Post's Book World schreef hij elke week een column over poëzie voor een algemeen publiek. Zelfs voor de Amerikaanse krant was zo'n column over poëzie (niks bijzonders in de negentiende eeuw) een noviteit geworden.

The aim was to introduce poetry to people who had never read it at all; to reintroduce it to people who had read it in school but had gotten out of the habit and, having an impulse to find their way back to it, but didn’t know where to start; and to give people who did read poetry some poems and ideas about poems to think about.
De bijdragen van Hass kenden een groot succes en werden overgenomen door een vijfentwintigtal kranten in heel Amerika. Hass kreeg brieven met leestips, suggesties voor alternatieve interpretaties en zelfs vertalingen van amateurs. Vier jaar hield hij het vol, van 1997 tot 2000. Now & then brengt alle columns bijeen.

Now & then is opgevat als een getijdenboek. Hass kiest en becommentarieert gedichten die de seizoenen, het weer of de actualiteit hem ingeven. Een werkwijze die me overigens vreemd is: ik lees nooit gedichten die passen bij de stemming van het moment; ik lees gedichten juist om in een bepaalde stemming te komen (ook al omdat het weer in België, een land waar het 300 dagen per jaar tussenseizoen is, niets in me losmaakt).

Nu doet Hass er zeker goed aan poëzie te kiezen die bij de actualiteit aansluit. Het onderstreept de veelzijdigheid van het genre, en toont aan dat poëzie prima in de realiteit kan verankerd zitten. Hass leest Ierse dichters wanneer het vredesproces in Noord-Ierland zijn beslag krijgt, leest Vasko Popa wanneer Amerikaanse piloten Belgrado bombarderen, leest Keats op Halloween (zijn verjaardag) en leest een toepasselijk vers van Emerson op Independence Day.

Hass haalt niet het niveau van pakweg Gerrit Komrij ten tijde van In liefde bloeyende, maar doet hoe dan ook a good job. De teksten zijn toegankelijk en informatief, de toon welwillend — de toon van een gids die achteraf geen fooi hoeft. Bestudeer, bijvoorbeeld, de manier waarop hij die ouwe Horatius nader bij een Amerikaans publiek probeert te brengen.
It’s spring. And here’s a chance to print a song of the season that comes from a very old, sun-lit, Mediterranean sanity. Also a chance to notice a remarkable new book.
One of the central poets to the history of lyric poetry in the European tradition is Quintus Horatius Flaccus, whom we know as Horace. He was born into the turmoil of Roman history when Rome was emerging as a world power. He fought, as a young man in those turbulent years, in the wars that followed the assassination of Julius Caesar, and wrote most of his poems in the age of Augustus.
With Catullus and Vergil and Ovid, he’s one of the four great lyric poets of ancient Rome, studied and studied by English poets when all schoolchildren studied Latin and English poetry was finding its way. Indeed for English poets from Shakespeare’s time to the end of the nineteenth century, he was the man. He spent most of his life in retirement — he practically invented the idea of “retirement” for European culture — on a modest Sabine farm in the country outside Rome. He wrote immensely civilized, poised, exquisitely polished, and apparently casual poems about the countryside and the Roman seasons, about not living in whatever the Augustan equivalents were for the corridors of power and the feeding frenzies of the media and the fevers of the deal.
His values were the gentleman farmer’s ideals. Balance was what he admired, independence, privacy, friendship, a sensible prosperity, good wine, the fruits of the season. Republican rather than Empire in a Roman — and probably American — sense. All of the founding fathers of the American republic had learned their Latin by translating his poems as schoolboys, and many of their assumptions (including the assumption, much uneasier in the Americas, of a slave-owning economy) were Horace’s assumptions. Thomas Jefferson’s vision, though he thought it would take a revolution to get there, was, I think it’s accurate to say, Horatian.
These are reasons to read Horace, but the deepest reason is pleasure. He’s a beguiling poet. Reading him in stray moments for weeks on end is, I’ve been finding, like carrying around a particularly delicious and soothing dream-trace. “Soothing” isn’t quite accurate for the complexity of Horace’s mind, but is was the idea of him for the poets of the early twentieth century, which is why he fell out of favor and why he hasn’t really had a good English translator — until now — in this century. But now there is one. David Ferry, a New England poet and a Wordsworth scholar, has published a complete translation of Horace’s most famous work, The Odes of Horace (Farrar, Straus & Giroux), and it’s wonderful to read, as if it were composed in the mind’s own suave version of English Latin. The Odes have to be lived with — they’ll make great summer reading of a mellow and reflective kind — and one sample won’t convey that. But here’s the flavor — cut to a spring day in Italy two thousand years ago where Horace’s friend Lucius Sestius is worried about his place in society and about his love life:

To Sestius

Now the hard winter is breaking up with the welcome coming
Of spring and the spring winds; some fishermen,
Under a sky that looks changed, are hauling their
caulked boats
Down to the water; in the winter stables the cattle
Are restless; so is the farmer sitting in front of his fire;
They want to be out of doors in field or pasture;
The frost is gone from the meadow grass in the early mornings.
Maybe, somewhere, the Nymphs and Graces are dancing,
Under the moon the goddess Venus and her dancers;
Somewhere far in the depth of a cloudless sky
Vulcan is getting ready the storms of the coming summer.
Now is the time to garland your shining hair
With myrtle or with the flowers the free-giving earth has given;
Now is the right time to offer the kid or lamb
In sacrifice to Faunus in the firelit shadowy grove.

Revenant white-faced Death is walking not knowing whether
He's going to knock at a rich man's door or a poor man's.
O good-looking fortunate Sestius, don't put your hope in the future;
The night is falling; the shades are gathering around;
The walls of Pluto's shadowy house are closing you in.
There who will be lord of the feast? What will it matter,
What will it matter there, whether you fell in love with Lycidas,
This or that girl with him, or he with her?.
Let wel: Hass is spaarzaam met aanwijzingen wanneer dat gepast is. In een van zijn stukjes geeft hij vier verschillende vertalingen van 'Herbsttag' (Rilke), met de onderliggende oproep: lees die dingen eens, beste mensen, en vergelijk. In een alleraardigst stukje, getiteld '‘One thousand years of poetry in English : a millennium gathering’, overloopt hij met zevenmijlspassen duizend jaar Engelse poëzie aan de hand van een dozijn goedgekozen coupletten en een minimum aan duiding.

Altijd geeft Hass editie-informatie en spoort hij zachtjes aan om boeken te kopen en te lezen. Ik leer op die manier dat veel Amerikaanse poëzie wordt gepubliceerd door university presses, en probeer tussendoor de namen te onthouden van de uitzonderingen: New Directions vooral, naast Ecco Press, Beacon Press, Houghton Mifflin, Herder & Herder, Copper Canyon Press... Hass vermeldt ook trouw de geboortestad van elke dichter, waaruit ik opmaak dat dat van belang is, dat er regionale verschillen zijn.

De keuze blijft het hele boek door boeiend, wat niet uitsloot dat de meeste gedichten me weinig zeiden. Hass selecteert een paar van mijn persoonlijke favorieten (Bishop, Zagajewski), maar ook gemakkelijk twee dozijn dichters die me volslagen onbekend zijn. Iemand gehoord van de Koreaanse dichter Ko Un, die een gedicht schreef over elke persoon die hij kende?

Soit. Hass' visie op gedichten is op de keper beschouwd ook de mijne: poëzie is taal die de menselijke ervaring nieuw leven inblaast en de retoriek van alledag probeert te overstijgen, zonder van de weeromstuit te vluchten in onbegrijpelijkheid. Toen hij deze bundel redigeerde — en Amerika steeds dieper in de Iraakse modder zakte — besefte Hass te leven
in a time of enormously heightened rhetorical violence, in which the politicians and the press, particularly the television news channels, have collaborated. This realization had the effect for me of making the poems, as I reread them, seem admirably measured and sane. They do not always succeed — I was trying to give people a sense of the breadth and range of poetry, both old and new, and I often turned to whatever came into my hands — but most of the poems were trying to get the weight and shape of experience.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Robert Hass, Now & then : the poet’s choice columns 1997-2000
301 p.
Uitgeverij Counterpoint, 2007


Robert Hass - via Echo in the sense


Vijf gedichten uit de bundel die me aanspraken:

Wind and water and stone - Octavio Paz

The water hollowed the stone,
the wind dispersed the water,
the stone stopped the wind.
Water and wind and stone.

The wind sculpted the stone,
the stone is a cup of water,
The water runs off and is wind.
Stone and wind and water.

The wind sings in its turnings,
the water murmurs as it goes,
the motionless stone is quiet.
Wind and water and stone.

One is the other and is neither:
among their empty names
they pass and disappear,
water and stone and wind.



Ghazal - Agha Shahid Ali

The only language of loss left in the world is Arabic.
These words werer said to me in a language not Arabic.

Ancestors--you've left me a plot in the family graveyard--
Why must I look, in your eyes, for prayers in Arabic?

Majnoon, his clothes ripped, still weeps for Laila.
O, this is the madness of the desert, his crazy Arabic.

Who listens to Ishmael? Even now he cries out:
Abraham, throw away your knives, recite a psalm in Arabic.

From exile Mahmoud Darwish writes to the world:
You'll all pass between the fleeting words of Arabic.

The sky is stunned, it's become a ceiling of stone.
I tell you it must weep. So kneel, pray for rain in Arabic.

At an exhibition of miniatures, such delicate calligraphy:
Kashmiri paisleys ties into the golden hair of Arabic!

The Koran prophesied a fire of men and stones.
Well, it's all now come true, as it was said in the Arabic.

When Lorca died, they left the balconies open and saw:
his qasidas bradided, on the horizon, into knots of Arabic.

Memory is no longer confused, it has a homeland--
Says Shammas: Territorialize each confusion in a graceful Arabic.

Where there were homes in Deir Yassein, you'll see dense forests--
That village was razed. There's no sign of Arabic.

I too, O Amichai, saw the dresses of beautiful women
And everything else, just like you, in Death, Hebrew, and Arabic.

They ask me to tell them what Shahid means--
Listen: it means "The Beloved" in Persian, "witness" in Arabic



Discourse - Lee Ann Brown

talking fancy
without much to
drink



Black stone on top of a white stone - César Vallejo

I shall die in Paris, in a rainstorm,
On a day I already remember.
I shall die in Paris-- it does not bother me--
Doubtless on a Thursday, like today, in autumn.

It shall be a Thursday, because today, Thursday
As I put down these lines, I have set my shoulders
To the evil. Never like today have I turned,
And headed my whole journey to the ways where I am alone.

César Vallejo is dead. They struck him,
All of them, though he did nothing to them,
They hit him hard with a stick and hard also
With the end of a rope. Witnesses are: the Thursdays,
The shoulder bones, the loneliness, the rain, and the roads...



Poem for the old year - Tessa Rumsey

January. The archer aims at himself.
His target is the eye of a fish. River
is frozen. Field rises in mists of lost
desire and steams the sealed sky open.
Fish be ruby-weeping. Fish be nailed
through scale onto door of silver birch.
Over the mountain beaten boy searches
for his teeth inside a clump of brambles.
The sound of thorns through his skin
is mercy. The sound of a beautiful fish
being nailed to a door is mercy, mercy.
Nobody knows the origin of music,
or who wind pitches for between rock
and rock like a bronco heart kicking
in its cage. Breeze seduces bow. Bow
abandons arrow. Boy finds shelter
in thicket and hears music of his breath
through ugly, twisted thistles. come
home. It's time to begin again. A boy
is nailed to the door and a fish is aimed
at an archer, mountain is weeping rubies
onto frozen river while wind grinds
two new teeth. Who are you
inside the music of another's suffering?
When I was a nail I loved only
the hammer. When I was a breeze I died
on a door. When I was a fish
I swam without knowing not yet, or last
breath, or shore.
____

dinsdag 17 november 2009

Dernier inventaire avant liquidation - Frédéric Beigbeder

In de zomer van 1999 koos Frankrijk 'het beste boek van de voorbije eeuw'. Uit een lijst van 200 boeken voorgekauwd door critici en boekhandelaren — lees: een lijst van 200 nog voorradige titels — konden bezoekers van de Fnac hun favoriet aanwijzen. In Dernier inventaire avant liquidation wijdt Frédéric Beigbeder, zich profilerend als een gewone lezer zoals u en ik, een stukje aan de eerste vijftig titels. Maar van de beloofde baldadigheid komt weinig in huis.

De enquête, die, naargelang de bron, door 6000 dan wel 17.000 mensen werd ingevuld, leverde naar Franse maatstaven nauwelijks verrassingen op. De lijst wordt voornamelijk bevolkt door Franse en in mindere mate Engelse auteurs. Hier en daar een Duitser. Zes vrouwen, één Belg (Hergé) en één Nederlander (Anne Frank). De meest exotische namen (Solzjenitsyn, Kundera, Beckett) hebben of hadden goede banden met Frankrijk, en Frankrijk schikt zich natuurlijk graag in zijn rol van cultureel gastland.

L'être et le néant of À la recherche du temps perdu staan trouwens ongeloofwaardig hoog in een lijst die voor een groot stuk gevuld is met verfilmde boeken.

Kortom: Les 100 livres du siècle is zoals de meeste ranglijsten een onzinnig product (wie kan bogen op een compleet overzicht?) en de zoveelste bibliografie van de grootste gemene deler. Doodjammer dat Frédéric Beigbeder in dit boekje zijn eigen top-50 niet bespreekt (opgenomen in de commentaren hieronder), een lijst die heel wat avontuurlijker oogt.

Beigbeder, vooral bekend als romancier, is jarenlang criticus geweest in bladen (Elle, Voici, Lire, Figaro littéraire), op de radio (Masque et la plume) en op televisie (Des livres et moi, op Paris Première). In het voorwoord bij Dernier inventaire avant liquidation kondigt hij aan de literatuur te willen ontheiligen, "avec mes maigres moyens — subjectivité d’autodidacte et enthousiasme naïf." Hij heeft zijn buik vol van critici die alle boeken lijken te hebben gelezen, critici "qui font semblant de tout connaître". Beigbeder wil de grote meesterwerken fris van de lever bespreken, en zich niet laten intimideren door hun status.

N’oublions jamais que derrière chaque page de ces monuments d’un siècle révolu se cache un être humain qui prend tous les risques. Celui qui écrit un chef-d’oeuvre ne sait pas qu’il écrit un chef-d’oeuvre. (…) Il est temps de réentendre la voix de ces hommes et femmes comme au premier jour de leur publication, en la débarassant, l’espace d’un instant, des appareils critiques et autres notes en bas de page qui on tant contribué à dégouter leurs lecteurs adolescents et à les envoyer dans les salles obscures ou aux concerts de rock.
Maar dat is wat Beigbeder net niet doet. Goed, hij schrijft bij vlagen vrolijk turbofrans, en laat bijvoorbeeld goed doorklinken dat Freud een "cocaïnomane" was — een zielsverwant, dus — maar in wezen zijn dit zeer brave opstellen. Beigbeder noemt prijzen en publicatiedata, gaat soms in op de omstandigheden waarin een boek geschreven is, dist een bekend citaat op (Virginia Woolf over Joyce) of plaatst het boek in zijn context. Bij Perec komt Oulipo langs, bij Hemingway wordt keurig zijn "théorie de l'iceberg" ontvouwd. Op die manier is na enig gepluis in naslagwerken de helft van je stukje klaar. (Foutloos is het parcours overigens niet. De Toverberg heeft Thomas Mann de Nobelprijs opgeleverd, schrijft Beigbeder. Dacht het niet.)

Voor de rest surft Dernier inventaire avant liquidation mee op de golven van de canon, al heeft Beigbeder misschien een blitsere zwembroek aan. De eigen inbreng bestaat meestal uit enig freestylen rond gemeenplaatsen, overdrijvingen of volslagen nonsens.
Eugène Ionesco est d’origine roumaine, comme le comte Dracula; c’est pourquoi il suce le sang du théâtre contemporain.
Een duidelijke literatuuropvatting blijkt Beigbeder trouwens niet te hebben — "Lire c’est espérer la page suivante". Opvallend is wel hoe vaak hij boeken associeert met films. Fitzgerald met American beauty, Bernanos met The exorcist, Thomas Mann met The shining, Eco met The Blair witch project. Het zal wel een teken des tijds zijn: boeken worden niet meer gelinkt aan het leven, maar aan wat de filmindustrie van het leven maakt.

Wat Beigbeder goed kan, en daar zal zijn verleden in de reclame mee te maken hebben, is pitchen. Een boek kernachtig typeren, meestal door het te enten op iets wat mensen al kennen.
Connie Chatterley est l’Emma Bovary d’outre-Manche

[...]

Zazie dans le métro peut être considéré comme une version “ado” du Voyage au bout de la nuit

[...]

[Le petit prince] aurait pu s’intituler À la recherche de l’enfance perdue
Wat nog het meest ontbreekt in deze venijnig bedoelde stukjes, is humor. Je kan je indenken hoeveel beter een Brits columnist zich van deze taak zou kwijten. Dus zegt het veel over de Franse literaire kritiek als een mak boekje als dit uit de band springt. Slechts heel af en toe weet Beigbeder, en de primaire kleuren van zijn proza, me nieuwsgierig te maken naar een schrijver.
Je vous aime, Albert Cohen, splendide vieillard qui n’avait pas besoin de Viagra pour être encore vigoureux. Belle du Seigneur n’est pas un livre, c’est une drogue, un testament, un cadeau du ciel, un chemin de croix, un passage de témoin, un livre qu’on caresse, qu’on chérit, qu’on offre à ses amis et qui vous rend meilleur, vous ouvre les yeux, vous transforme en vous faisant rire, pleurer, aimer, et attendre la mort, debout, fier et seul et valeureux et bon sang quand donc vais-je interrompre mes pittoyables babouineries?
Enfin. Ergens heeft Beigbeder het ook over Angelo Rinaldi. Een goede reden om die man eindelijk eens te lezen. Iemand die het magnum opus van Márquez Cent ans de platitude noemt, zou best een vriendje van me kunnen worden.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lievelingsschrijvers van Beigbeder in de commentaren hieronder
> meer Beigbeder op Achille: Liefde duurt drie jaar

Frédéric Beigbeder, Dernier inventaire avant liquidation
220 p.
Uitgeverij Gallimard, 2005
Oorspr. (2001)

____

maandag 16 november 2009

Bekentenissen van Zeno - Italo Svevo

In de figuur van Zeno Cosini versterken een neurotisch onvermogen om te leven en een buitenproportieel talent voor zelfanalyse elkaar. De psychiater wordt erbij gehaald. En kijk, de gemeenplaatsen van de psychoanalyse en de vergoeilijkende praatjes van Zeno gaan een onontwarbaar, tragi-komisch verbond aan. "Beelden uit het verleden! Ik geloof dat ze slechts op te roepen zijn door middel van een optisch hulpmiddel, dat ze tegelijkertijd ondersteboven keert."

Jaren heeft het geduurd eer ik Het hermetisch zwart van Yourcenar en deze Bekentenissen van Zeno uit elkaar kon houden. Dat komt, van beide romans is de vertaling uitgegeven bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, de twee boeken zijn ongeveer even dik en allebei kennen ze een hoofdpersoon die Zeno heet.

Italo Svevo (1861-1928), pseudoniem van Ettore Schmitz, werd geboren in een familie van Joodse komaf. Hij kwam uit Triëst, het snijpunt van verschillende Europese culturen, en belichaamde ook zelf die gespletenheid. Zijn vader was Duits, zijn moeder Italiaans.

In 1873 vertrekt de jonge Svevo naar een bekend instituut in Würzburg om zich de Duitse taal eigen te maken. In de periode maakt hij kennis met de literatuur. Terug in Triëst wordt hij echter al vlug geschoold in het echte leven en zijn praktische eisen, wanneer hij vanwege de precaire financiële situatie van zijn familie zijn studie moet opgeven. Hij gaat werken in een bank en doet vertaalarbeid.

Als dertiger publiceert hij twee matig ontvangen romans (Een leven in 1892 en Een man wordt ouder in 1898). Svevo was dus al een gerijpte auteur toen hij in 1907 bevriend raakte met James Joyce. De Ier, die dan zijn grote werken nog moet schrijven, leert hem Engels en houdt Svevo's belangstelling voor literatuur warm. Ook Proust, wiens naam samen met Joyce de naam van Svevo doorgaans flankeert in de literatuurboekjes, is nog niet begonnen aan zijn Recherche.

In 1915 vlucht Svevo's familie uit Triëst uit angst voor de Eerste Wereldoorlog. De schrijver blijft alleen achter om de verffabriek van zijn vader te runnen. De firma moet enkele jaren zijn deuren sluiten, wat de Svevo de kans geeft zich in alle rust te wijden aan zijn literaire activiteiten. In zijn nawoord wijst Silvio Benco hoe het wereldwijze en de neiging tot introspectie van Svevo een vruchtbare combinatie zou blijken voor het meesterwerk dat op til staat. Svevo schilderde zichzelf graag af als een man die niet voor het praktische leven in de wieg gelegd was, maar dat was pose.

In werkelijkheid was hij ook voor het praktische leven zeer goed toegerust, hij bezat een groot verantwoordelijkheidsgevoel, gepaard aan een levendige belangstelling voor het werk waar hij mee bezig was: dit verantwoordelijkheidsgevoel en deze belangstelling kwamen tot uiting in intellectuele bespiegelingen over de verrichte prestaties of over het terrein dat hij zich had eigen gemaakt. Vandaar dat de praktische werkzaamheden — waarin deze onvermoeide werker zich uitstekend weerde, of het nu was als bankemployé, als gedegen industrieel of als een goed georiënteerd en betrouwbaar zakenman — voor hem los kwamen te staan van hun concrete begrensdheid; hij bekeek en overdacht ze vanuit het standpunt van de econoom, de socioloog, terwijl de romancier in hem ze samenvatte als facetten van het leven. Het was een genoegen om met hem te converseren, omdat hij beschikte over drie belangrijke kwaliteiten: ervaring van de realiteit, een intellectuele visie op de realiteit en het vermogen deze door zijn fantasie te verrijken.
In 1919, na twintig jaar niks meer van betekenis te hebben gepubliceerd, begint Svevo met het schrijven van zijn derde roman, La coscienza di Zeno. In een handvol analytische hoofdstukken belicht de hoofdpersoon telkens een ander aspect uit zijn leven: zijn rookverslaving, de dood van zijn vader, zijn huwelijk, zijn maîtresse, het zakenleven. Svevo was al een tijdje gefascineerd door de psychoanalyse, met name de mogelijkheid om langs rationele weg een volmaakte innerlijke gezondheid te veroveren. Een neef van Svevo (met wie hij de Traumdeutung van Freud zou vertalen) was rond 1910 bij de grote zieleknijper zelf in therapie gegaan. Twee jaar later kwam deze als een gebroken man terug uit Wenen, door Freud ongeneesbaar verklaard en financieel heel wat lichter.

Bekentenissen van Zeno, dat op voorspraak van Joyce in Franse vertaling verscheen, wordt een succes, zodat Svevo op zijn 62ste dan toch van enige literaire roem kan genieten. Samen met Pirandello katapulteert Svevo de Italiaanse literatuur de moderniteit in. De lineair vertelde verhalen uit de negentiende eeuw met hun onversneden helden (desnoods antihelden) hebben plaatsgemaakt voor de verscheurde, aan twijfel en ironische afstandelijkheid onderhevige mens van vlees en bloed uit de twintigste eeuw.

Via Zeno Cosini, die zichzelf op vraag van dokter S. (lees: Sigmund) kapotanalyseert, spot Svevo met de pretenties van de psychoanalytische leer. Zeno, een zevenenvijftigjarige zakenman met een goed oog voor vrouwelijk schoon, legt zijn hele leven uit in termen van ziekte en gezondheid. Die naam, Zeno, die hij met de uitvinder van de paradox gemeen heeft, is echter niet toevallig gekozen. De volmaakt gezonde Zeno raakt verstrikt in zijn eigen diagnoses en waanideeën. Zijn intelligentie speelt hem parten. Hij praat recht wat krom is, krom wat recht is. Zijn hyperbewuste analyses zijn contraproductief. Het mooist wordt dat verzinnebeeld wanneer Svevo de anatomie van het been en de voet bestudeert. Een automatisme — de vierenvijftig spieren die bij elke pas in beweging komen — wordt ineens problematisch.
Ik keek er van op en concentreerde meteen mijn aandacht op mijn benen om er de monstrueuze machinerie van te ontdekken. En ik geloof dat ik die ontdekte. Vanzelfsprekend onderscheidde ik geen vierenvijftig onderdelen, maar een enorm ingewikkeld stelsel dat alle samenhang verloor zodra ik er mijn aandacht op vestigde. Toen ik het café uitkwam hinkte ik en enige dagen bleef ik als een kreupele voortstrompelen.
Al analyserend verandert Zeno zichzelf in een zieke. Een zieke die zich afvraagt of hij de mensen in zijn omgeving niet van hun gezondheid moet genezen. Allerlei diagnoses handhaven zich stuk voor stuk in zijn lichaam en voeren een onderlinge strijd om de overhand. Zeno is de vleesgeworden hypochondrie. Wanneer hij een vlieg neermept, is hij verbaasd over zijn ontdekking dat dat kleine, door pijn geteisterde organisme, dat vecht om zijn leven, in zijn geweldige krachtinspanning wordt geleid door twee misvattingen.
Ten eerste gaf het insekt, door zo ijverig zijn vleugeltjes glad te strijken waar niets aan mankeerde, blijk niet te weten van welk orgaan zijn pijn afkomstig was; verder bewees zijn hardnekkige ijver dat zijn minuscule brein vervuld was van het onwankelbare vertrouwen dat gezondheid voor alle wezens is weggelegd en beslist zal terugkeren wanneer ze ons heeft verlaten. Deze misvattingen zijn heel vergeeflijk bij een insekt dat slechts één seizoen leeft en geen tijd heeft om ervaring op te doen.

Italo Svevo

De bekentenissen
Het betekent allemaal niet dat Svevo niet vol goede voornemens zit om van zijn aandoeningen af te raken. In het beroemde derde hoofdstuk waarin de man met zijn rookverslaving probeert te breken, doet hij verslag van alle voorgaande afkickpogingen — één grote rondedans van laatste sigaretten.
Eens, toen ik in mijn studententijd van kamer verwisselde, moest ik mijn oude kamer op eigen kosten opnieuw laten behangen, omdat ik de muren had volgeklad met data. Waarschijnlijk vertrok ik juist uit die omgeving omdat ze tot een kerkhof van mijn goede voornemens was geworden en ik het niet voor mogelijk hield er op diezelfde plaats nog meer te vormen.
Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft als het de laatste is. Ook de andere hebben hun speciale smaak, maar die is minder intens. De laatste sigaret ontleent zijn aroma aan het gevoel van zelfoverwinning en de hoop op een naaste toekomst vol kracht en gezondheid. De andere hebben hun waarde omdat het opsteken ervan een soort demonstratie van eigen vrijheid is, terwijl de toekomst van kracht en gezondheid blijft bestaan, alleen wat wordt uitgeteld.
De data op de wanden van mijn kamer waren in de meest uiteenlopende kleuren aangebracht, soms zelfs met olieverf. Het voornemen, dat telkens weer met een naïef vertrouwen werd hervat, vond zijn passende uitdrukking in de sterkte van de kleur, die die de kleur van het voorgaande moest doen verbleken.
De conclusie kan alleen maar luiden dat Zeno's werkelijke ziekte niet het roken zelf is, maar het goede voornemen.
Ik moest proberen van mijn aanwensel af te komen zonder het voornemen ertoe te vormen. In mij waren in de loop der jaren twee personen ontstaan, waarvan de een commandeerde en de ander niets meer was dan de slaaf die, zodra het toezicht verslapte, zich uit pure vrijheidsdrang tegen de wil van zijn meester verzette. Ik moest hem daarom zijn volledige vrijheid hergeven en tegelijkertijd mijn aanwensel tegemoettreden alsof het iets nieuws was dat ik nog nooit eerder had gezien. Ik moest het niet bestrijden, maar eenvoudigweg negeren, als het ware me eraan over te geven door het onverschillig mijn rug toe te keren als iemand die men zijn gezelschap niet waardig acht. Eenvoudig, nietwaar?
In het daaropvolgende hoofdstuk wordt de dood van Zeno's vader belicht. Uiteraard is naar goede psychoanalytische traditie de vader-zoonrelatie behoorlijk verstoord. Zeno ontbeert de handelsgeest van zijn vader. Vader is een ernstig man, zoonlief is altijd in voor een grapje. Wanneer de vader zijn zoon krankzinnig noemt, rept deze zich naar de dokter om een officieel certificaat dat zijn geestelijke gezondheid bevestigt — een practical joke die zijn vader alleen maar sterkt in de overtuiging dat zijn zoon goed gek is.

De moeder van Zeno is gestorven toen hij nog geen vijftien was. Vader Cosini overlijdt wanneer Zeno dertig is. Indrukwekkend zijn de bladzijden op het sterfbed (p. 59 e.v.), met de misplaatste troostende woorden van Zeno — ‘Ik geloof dat alleen de prettige dingen blijven voortbestaan, want verdriet is dan niet meer nodig. De ontbinding zal waarschijnlijk veel overeenkomst hebben met seksueel genot. In ieder geval zal ze gepaard gaan met een geluksgevoel van rust, als tegengewicht voor alle inspanning die de opbouw van ons lichaam eist. De ontbinding is te beschouwen als de bekroning van het leven!’ — en de niet van symboliek gespeende laatste handelingen van de vader. Met de dood van zijn vader verdwijnt het toekomstbeeld waarop Zeno zijn goede voornemens projecteerde.

Zijn herinneringen leiden Zeno vervolgens naar de manier waarop zijn huwelijk tot stand is gekomen. Die begint met de ontmoeting van zijn toekomstige schoonvader Giovanni Malfenti, een schrandere, succesvolle zakenman waar Zeno naar opkijkt. Malfenti heeft vier dochters, wier voornaam elk met een A begint, wat volgens hun vader "uiterst praktisch is".

Aartsopportunist Zeno heeft maar één doel: "gezondheid te vinden" in een eerbaar bestaan. De lezer weet derhalve niet wat er kostelijker — of wranger — is: de genadeloze ballotage van de vier meisjes (p. 71 e.v.) of de motieven die Zeno vooropstelt om te trouwen.
In de gedachtenwereld van een jongeman uit de gegoede burgerkringen is het menselijk bestaansbegrip nauw verweven met het begrip carrière, en op zeer jeugdige leeftijd denkt men bij carrière aan die van Napoleon. Zonder dat men daarom aspiraties behoeft te hebben om keizer te worden, want het is mogelijk op een heel wat bescheidener niveau toch op Napoleon te lijken. Het meest intensieve leven wordt in grote lijnen weergegeven door het meest rudimentaire geluid, namelijk dat van een golf, die van het moment af dat hij zich vormt voortdurend verandert totdat hij weer in de oceaan is opgelost. En zo verwachtte ook ik een ontwikkelingsgang als van Napoleon en de golf.
Mijn leven wist slechts één enkele toon voort te brengen, zonder enige variatie; een tamelijk hoge toon, waar sommigen me om benijdden, maar die toch afschuwelijk saai was. Mijn vrienden droegen me mijn leven lang dezelfde achting toe en ik geloof dat ik zelf, sedert ik de leeftijd des onderscheids bereikte, evenmin de mening die ik omtrent mezelf had gevormd veel heb gewijzigd.
Het kan dan ook best zijn dat de gedachte aan een huwelijk in me is opgekomen doordat ik het beu werd altijd deze ene toon uit te zenden en op te vangen. Wie het huwelijk nog niet aan den lijve heeft ondervonden houdt het voor belangrijker dan het in werkelijkheid is. Door de gezellin die men kiest wordt het eigen ras, wat beter of wat slechter, in de kinderen vernieuwd. Maar moeder natuur, die dit zo wil en die ons langs de directe weg niet tot dit doel zou kunnen voeren (omdat we aanvankelijk nog volstrekt niet aan kinderen denken) doet ons geloven dat onze echtgenote ook een vernieuwing in onszelf zal teweegbrengen; een vreemde illusie, die door geen enkel bewijs wordt geschraagd. Want de ervaring leert dan men na het huwelijk onveranderd naast elkaar verder leeft, behoudens misschien een nieuwe antipathie jegens degene die zo heel anders is dan wijzelf, of een afgunst tegen iemand die superieur is aan ons.
Alberta is te jong, Augusta te gewoontjes, Anna is nog een klein meisje. Ada, een klassieke schoonheid, is de uitverkorene.
Het is moeilijk na te gaan wat de eerste kiemen waren van een gevoel dat later zo heftig werd, maar ik ben er zeker van dat bij mij de zogenaamde coup de foudre voor Ada ontbrak. Daarvoor in de plaats kwam echter de onmiddellijke overtuiging dat dit de vrouw was die ik nodig had en die mij door heilige monogamie moest leiden tot een staat van geestelijke en lichamelijke gezondheid. Als ik eraan terugdenk verbaast het me dat die coup de foudre achterwege bleef en door deze overtuiging werd vervangen. Het is algemeen bekend dat wij mannen in onze echtgenote niet de eigenschappen zoeken die we in een minnares zo aanbiddelijk en tegelijk verachtelijk vinden. Schijnbaar had ik dus niet direct oog voor al Ada’s gratie en schoonheid, maar was ik verrukt over andere kwaliteiten die ik in haar meende te ontdekken, zoals ernst en ook wilskracht, kortom dezelfde eigenschappen — zij het wat minder geprononceerd — die ik in haar vader bewonderde.
Maar Ada laat zich niet veroveren. Het is al een heel gedoe om tot de salon van de familie Malfenti toegelaten te worden, en algauw moet Zeno ontdekken dat het hem bij zijn toenaderingspogingen vergaat alsof hij op "een examen verscheen waarvoor hij juist die bladzijden vergeten had na te kijken waarover hij ondervraagd zou worden". Een spiritistische seance in het donker met de meisjes mondt uit in een fiasco. En Zeno ontmoet zijn liefdesrivaal, een zekere Guido Speier. Deze Guido speekt vloeiend Toscaans (Zeno het morsige dialect van Triëst), is knap (in tegenstelling tot de kale Zeno) en speelt ook nog eens stukken beter viool.
Niemand kan zeggen dat ik [Zeno] me illusies maak over mijn eigen talenten. Ik weet dat ik een zeer goed muzikaal gevoel heb en het is niet uit aanstellerij dat ik een voorkeur heb voor moeilijker stukken; maar datzelfde muzikale gevoel waarschuwt me en heeft me al sinds jaren gewaarschuwd dat ik nooit in staat zal zijn mijn toehoorders met mijn spel te bekoren. Dat ik toch doorga met spelen heeft eenzelfde reden als mijn voortdurende pogingen om van mijn kwamen te genezen. Ik zou goed kunnen spelen als ik niet ziek was, en ook als ik mijn evenwichtsoefeningen maak op de vier koorden van de viool ben ik in feite op zoek naar gezondheid. Er is iets als een lichte verlamming in mijn organisme en op de viool manifesteert deze zich ten volle, waardoor ze gemakkelijker te genezen is. Zelfs het laagst ontwikkelde wezen behoeft maar te weten wat tertsen, kwarten en sexten zijn om met ritmische nauwkeurigheid van het ene interval in het andere te kunnen overgaan, zoals zijn oog de ene kleur na de andere weet te registreren. Bij mij is het echter zo dat als ik een van die figuren heb gespeeld, deze als het ware aan me blijft kleven, me niet meer loslaat, zodat de volgende figuur erin verstrikt raakt en aan exactheid verliest. Om de noten ritmisch juist te plaatsen moet ik met mijn voeten en met mijn hoofd de maat meeslaan; maar waar blijft dan de rust en de souplesse, wat blijft er dan over van de muziek? De muziek die door een uitgebalanceerd organisme wordt vertolkt heeft een natuurlijk ritme, dat uit haar eigen wezen wordt geschapen en tot klinken gebracht. Als ik ooit zo leer spelen zal ik genezen zijn.
Ada wijst Zeno af en kiest voor Guido. Ada en Guido zullen kort daarop trouwen.
Het is wel beschamend dat ik me niet tijdig heb gerealiseerd welk een fiasco ik mezelf bereidde. Ik had te maken met een hoogst ongecompliceerd meisje en het kwam slechts door mijn eigen waanvoorstellingen dat ze me voorkwam als een geraffineerde flirt. Volslagen ongemotiveerd was mijn enorme wrok toen ze eindelijk de kans kreeg me duidelijk te maken dat ze niets van mij moest weten. Maar ik had droom en realiteit zo innig met elkaar verweven dat ik gewoonweg niet kon geloven dat ze me nooit had gekust.
Het getuigt bepaald van weinig manlijk overwicht als men zich in vrouwen vergist. Tevoren had ik me nooit vergist en ik moet aannemen dat mijn teleurstelling tegenover haar van het begin af verkeerd is geweest. Ik benaderde haar niet met de opzet haar te veroveren maar om haar te trouwen, wat een ongewone weg is in de liefde, een brede, gemakkelijke weg, die echter niet tot het doel leidt, al komt men er soms vlak bij. Aan de liefde die men op zo’n manier aankweekt ontbreekt het voornaamste facet: de verovering van het wijfje. Daardoor bereidt het mandier zich op zijn rol voor in een volslagen inertie, die zich tot al zijn zintuigen kan uitbreiden, ook tot het gezicht en het gehoor.
Zeno waagt zijn kansen dan maar bij Ada's zusters. Alberta is niet geïnteresseerd in een huwelijk. Zeno begint een relatie met de schele Augusta, die wel van hem houdt: "Met al mijn inspanningen bereikte ik hetzelfde als de schutter die midden in de roos schiet, maar van de schijf die naast de zijne is geplaatst." Eerst is er een gevoel van opluchting, dan droomt Zeno van een gewelddaad die hem weer zijn volledige vrijheidsgevoel zou teruggeven. In zijn grenzeloze egoïsme komt Zeno zelfs te laat op de huwelijksplechtigheid. Hij voert wel drie smoezen aan. Aan het altaar klinkt alleen een verstrooid 'ja', bezig als Zeno is met een vierde verklaring voor zijn late komst te bedenken, die hij zelf "de beste van alle vond".

Augusta, van haar kant, weet dat Zeno haar trouwt zonder haar te beminnen en gooit dat later ook in zijn gezicht.
Protesteren was zinloos, want de juistheid van haar opmerking was al te duidelijk gebleken. Ik wist niets beters te doen dan haar troostend in mijn armen te sluiten.
Later werd er door Augusta en mij nooit meer over dit alles gepraat, want het huwelijk is een heel wat eenvoudiger zaak dan een verloving. Eenmaal getrouwd discussieert men niet meer over de liefde en wanneer men daar toch eens de neiging toe voelt komt al spoedig de dierlijke drift tussenbeide om het zwijgen op te leggen. Die dierlijke drift nu kan zo vermenselijkt worden dat men er allerlei valse voorstellingen aan gaat verbinden; en zo kan het gebeuren dat men, wanneer men zich over een vrouwenhoofd buigt, in de haren een gloed tracht te ontdekken die er niet is. Men sluit zijn ogen en de vrouw wordt een ander, om weer zichzelf te worden wanneer men haar heeft losgelaten. Op haar richt zich alle dankbaarheid en die wordt nog groter als de poging is gelukt.
Na verloop van tijd beseft Zeno dat hij Augusta wel degelijk kan beminnen. Zo doet hij zijn best om de eerbied die Augusta heeft voor de Oostenrijkse en Italiaanse autoriteiten met haar te delen en probeert hij aan te knopen bij de religieuze overtuigingen van zijn vrouw.
Het was niet genoeg met haar naar de mis te gaan; ik moest ook nog op andere manieren contact met haar geloof zoeken, bijvoorbeeld door het lezen van Renan en Strauss, de eerste met plezier, de tweede als een soort zelfopgelegde straf. Ik maak er hier alleen maar melding van om aan te tonen hoe groot mijn verlangen was Augusta nader te komen. Maar zij had geen flauw vermoeden van dat verlangen wanneer ze me met een kritische uitgave van het evangelie in mijn handen zag zitten. Ze prefereerde onverschilligheid boven wetenschappelijke benadering en daardoor wist ze het overstelpende bewijs van mijn genegenheid niet naar waarde te schatten.
De liefde blijft gek genoeg duren. Maar: ze is niet exclusief. Zeno ontmoet het arme en bovendien niet bijster getalenteerde zangeresje Carla. "Wat heerlijk zou het zijn geweest een groot talent in haar te ontdekken! Maar in plaats daarvan hoorde ik tot mijn onaangename verrassing dat haar stem zodra ze begon te zingen iedere muzikaliteit verloor en door de inspanning vervormd werd." De warme, kinderlijke eenvoud van Carla velt Zeno. En op haar beurt houdt Carla van Zeno omdat hij zo goed is dat "zelfs zijn geld hem niet bedorven heeft".

Carla weet niet beter dat Zeno niet van zijn vrouw houdt, en de twee beginnen een relatie. Zeno, de ouwe vos, volhardt in de kwadratuur van de cirkel en maakt zichzelf wijs dat zijn affaire ook zijn huwelijk ten goede komt.
De lange vocalen van Carla waren als een lokroep en misschien was het wel hun klank die in mijn binnenste de overtuiging vestigde dat zodra mijn eigen tegenstand was verdwenen er geen andere obstakels meer zouden zijn. Toch wist ik dat ik me kon vergissen (…); ook deze mogelijkheid droeg ertoe bij mijn tegenstand te verzwakken, aangezien de arme Augusta van mijn bedrog kon worden gered door Carla zelf, die als vrouw de innerlijke plicht had zich te verzetten.
Waarom zou mijn begeerte me met wroeging moeten vervullen als ze juist op tijd scheen te komen om me van de verveling te verlossen die me in die dagen bedreigde? Mijn verstandhouding met Augusta ondervond er niet de minste schade van; integendeel, Augusta kreeg nu niet meer alleen de vriendelijke woordjes te horen die ik altijd al voor haar had gehad, maar ook die welke voor de ander in mijn hart opwelden. Nog nooit had mijn huis zo overgevloeid van tederheid en Augusta scheen er verrukt van te zijn. Ik hield me stipt aan wat ik het familierooster noemde. Mijn geweten is zo overgevoelig dat ik reeds bij voorbaat door mijn gedrag mijn toekomstige wroeging probeer te verzachten.
Op een dag wil Carla die Augusta wel eens zien. Door een samenloop van omstandigheden houdt ze Ada echter voor Zeno's vrouw, waarop ze de relatie met Zeno afbreekt, geraakt door de schoonheid en de tristesse van Ada.

Het laatste hangijzer dat moet besproken worden, de commerciële exploten van Zeno, leveren het saaiste hoofdstuk van het boek op. Guido en Zeno worden compagnons — hoe meer hij met Guido optrekt, hoe duidelijker Zeno in zijn ogen zijn absolute onverschilligheid tegenover Ada bewijst — en zetten een handeltje op in Triëst. Ze huren twee werknemers in, Luciano en Carmen (die Guido's maîtresse wordt).

Door Guido's krampachtige omgang met de boekhouding, gaan de zaken slecht. Zijn huwelijk met Ada verliest aan glans, hij speelt op de beurs en flirt met zelfmoord. Ada vraagt daarom Zeno om meer te participeren in het bedrijf.
Het samenwerken met hem maakte mij steeds passiever. Ik trachtte hem op het rechte pad te brengen, en dat ik er niet in slaagde komt misschien door mijn al te grote inertie. Maar wanneer twee mensen met elkaar optrekken is het niet aan henzelf te beslissen wie van de twee Don Quichote en wie Sancho Panzo moet zijn. Hij deed de zaken en als een goede Sancho volgde ik ze op een eerbiedige afstand in mijn boeken, na ze eerst aan een kritisch onderzoek te hebben onderworpen, zoals mijn plicht was.
Kort daarop stapt Guido echt uit het leven. Zeno slaagt er vervolgens in Guido's begravenis te rateren. Op het moment dat Guido de laatste eer wordt bewezen, slaagt Zeno er naar eigen zeggen in drievierde van Guido's geld terug te winnen in een profijtelijk potje gokken op de beurs. Een verlepte Ada — "haar gezicht was vormeloos geworden, want de wangen hadden wel hun gevuldheid teruggekregen, maar het vlees zat op de verkeerde plaats, alsof het was vergeten waar het thuishoorde en zich te laag had vastgezet" — kijkt nu helemaal op naar Zeno.
‘Maar ik heb ook niet op de goede manier van hem gehouden. Ik heb hem nooit bedrogen, zelfs niet in gedachten, maar ik had niet de kracht hem te beschermen. Ik benijdde jou en je vrouw om jullie verstandhouding, die me beter leek dan wat hij mij bood. Ik ben je dankbaar dat je niet op de begrafenis bent verschenen, want anders zou ik nu nog niets hebben begrepen. Maar nu zie en begrijp ik alles. Ook dat ik niet van hem heb gehouden: waarom zou ik anders zijn viool hebben gehaat, die de meest volmaakte uitdrukking van zijn grote ziel was?’ (...) ‘En jij, Zeno, jij bleef met hem omgaan terwijl je hem haatte, zonder het te weten. Je bewees hem diensten uit liefde voor mij. Dat kon niet! Het moet mislopen! Ik heb destijds ook gedacht gebruik te kunnen maken van de liefde die ik wist dat jij me toedroeg, om hem te omringen met alle bescherming die hij nodig had. Maar alleen iemand die van hem hield kon hem beschermen, en niemand van ons hield van hem.’
Profiel van Zeno
Zeno is een van de grote personages uit de twintigste-eeuwse letterkunde, omdat Svevo hem compleet neerzet. Denkend aan Zeno strijden sympathie en aversie om voorrang. Moeten we iemand bewonderen om zijn lucide en niet van humor gespeende zelfinzicht, als dat inzicht een poel aan abjecte karaktertrekken aan het licht brengt? Zeno heeft immers het idealisme en alle collectieve wensdromen van generaties romanhelden achter zich gelaten, en is vooral op zijn eigen persoontje gefocust. Hij is zich bewust van zijn eigen gebreken — zijn bekentenissen laten zich lezen als een biecht — maar berust tegelijk in zijn gebrek aan wilskracht om die gebreken weg te werken. Zeno doet net het omgekeerde: hij betoont zich een meester in het rationaliseren van zijn misstappen, nog voor hij ze maakt. Dat maakt hem tot het archetype van de opportunist, een soort held die we tot de komst van Svevo nooit eerder zo uitgebreid beschreven hebben gezien.

Als Zeno Ada niet kan krijgen, maakt hij zichzelf wijs dat hij met Augusta toch de beste keuze heeft gemaakt. In de nacht dat zijn vrouw bij haar doodzieke vader waakt maakt hij van de gelegenheid gebruikt om de nacht bij zijn maîtresse door te brengen. De kussen van Carla ontvangt hij "uit naam van een vriendschap die Augusta niet kan schaden". Door Carmens minnaar te worden (eerst de minnares van Guido) denkt hij Ada een dienst te bewijzen en Augusta niet al te zeer te schaden: beide echtgenoten zullen veel minder intensief worden bedrogen dan wanneer Guido en hij elk een minnares helemaal voor zichzelf hadden gehad. Zelfs wanneer Zeno erover fantaseert om Guido te vermoorden, weet hij uit dat (verworpen) voornemen morele winst te halen.
Toen kwam er een andere gedachte in me op, zo helder dat ze te vergelijken was met de volle maan die op zijn baan de hemel schoonveegde: ik had me in die verloving met Augusta geschikt om mezelf een goede nachtrust te verzekeren. En wat zou er van mijn slaap terechtkomen als ik Guido had vermoord? Die gedachte redde mij en hem. Ik wilde onmiddellijk van positie veranderen, want zolang ik boven hem uitstak bleef de verleiding tot die daad bestaan. Ik zakte op mijn knieën en boog zo diep door dat ik met mijn hoofd bijna de grond raakte.
‘Au, au! Wat een pijn!’ schreeuwde ik.
Verschrikt sprong Guido overeind en vroeg wat er met me aan de hand was. Zonder te antwoorden bleef ik zachtjes doorkreunen. Ik wist waarom ik kreunde: omdat ik een moord had willen plegen en misschien ook wel omdat ik er niet de moed toe had gehad. De pijn en mijn gekreun moesten alle schuld uitwissen.
Zeno, kortom, kent God noch gebod. Het moderne van Svevo steekt er onder meer in dat hij zijn Bekentenissen niet laat uitmonden in een politiek correcte parabel. Zeno mag zijn intelligentie vrijelijk aanwenden om zich eindeloos en met overtuiging te herpositioneren in het leven en in de liefde. Augusta is niet de feeks die je zou verwachten, maar een ingoede echtgenote. Zeno eindigt als een rijk man, niet als arme stumper. En Zeno komt als overwinnaar uit het analytische steekspel met zijn dokter; meer nog: hij maakt zijn psychiater belachelijk door hem de ene leugen na de andere op te spelden. Al zijn Zeno's gedragingen nog zo verachtelijk, altijd is daar zijn briljante schertstoon en een zelfbereid verkwikkend bad van goede voornemens. Het hoeft niet te verbazen dat Zeno zich, zoals alle poseurs, het liefst ophoudt bij mensen die hij niet kent. Bij hen voelt hij zich gezond en zelfverzekerd. Zij weten zijn spelletje nog niet te doorprikken.


Triëst omstreeks 1885.

De psychoanalyse
Het is een sublieme vondst van Svevo om de psychoanalyse te kijk te zetten bij monde van zo'n draaikont als Zeno. Het maakt de satirische laag in de roman veel minder doorzichtig dan wanneer hij een onberispelijke held had gekozen. Dokter S. bouwt theorieën op de leugens en verzonnen herinneringen die zijn patiënt hem vertelt en komt na zes maanden, wanneer de geplaagde Zeno de analyse wil afbreken, niettemin tot een verbazend clichématige conclusie.
De analyse moest als geëindigd worden beschouwd, omdat mijn ziekte was onthuld; mijn kwaal was dezelfde als die waarmee wijlen Sofokles destijds de arme Oedipus had opgescheept: ik had mijn moeder bemind en mijn vader willen vermoorden.
Denk niet dat ik boos werd, o nee! Verrukt luisterde ik naar zijn diagnose. Het was een ziekte die mij tot de hoogste adelstand verhief. Een grandioze ziekte, waarmee onze voorouders zich mythologische roem hadden verworven.
De slotsom dringt Zeno in het defensief (hij wil niet dat de dokter zijn kinderjaren bederft) en wekt tegelijk zijn spotlust op.
Wel weet ik zeker dat hij beweerde dat ik ook de oude Malfenti had gehaat, die voor mij de plaats van mijn vader had ingenomen. Veel mensen geloven dat ze niet zonder een bepaalde genegenheid kunnen leven; ik echter raakte volgens de dokter uit mijn evenwicht als me een bepaald haatgevoel ontbrak. Ik trouwde een van zijn dochters, onverschillig welke, want het was mij er alleen om te doen hun vader in een positie te brengen waarin mijn haat hem kon treffen. Vervolgens deed ik al het mogelijke om het huis, dat ik tot het mijne had gemaakt, te onteren. Ik bedroog mijn vrouw en het was duidelijk dat ik, als ik de kans had gehad, ook Ada en Alberta zou hebben verleid. Natuurlijk denk ik er niet aan dat laatste te ontkennen, ik moet er verder om lachen dat de dokter, toen hij me dat zei, een air aannam of hij Columbus zelf was die Amerika ontdekte. Ik geloof dat hij beslist de enige persoon op deze wereld is die, toen hij hoorde dat ik met twee beeldschone vrouwen naar bed wilde, zich afvroeg welke motieven ik daarvoor wel kon hebben.

[...]

De dokter hecht ook te veel geloof aan die malle betekenissen van mij, die hij me niet wil teruggeven om ze me te laten herlezen. Mijn hemel! Hij heeft alleen medicijnen gestudeerd en weet dus niet wat het voor ons, die dialect spreken maar het niet kunnen schrijven, betekent in het Italiaans te moeten schrijven. Ieder Toscaans woord klinkt vals uit onze mond! Als hij eens wist met hoeveel voorliefde we al die dingen vertellen waarvoor we de zinnen uit onze mouw kunnen schudden en hoe we die verhalen vermijden die ons zouden noodzaken het woordenboek erbij te halen! Op die manier maken we een keus uit de incidenten van ons leven die we willen vastleggen. Het spreekt vanzelf dat ons leven er heel anders zou uitzien als het in ons dialect werd verteld.
En de dokter? Die blijft natuurlijk bij zijn eigen grote gelijk. Overigens laat Svevo de roman vergezeld gaan met een begeleidend woordje van de psychiater, waarin onder meer dit sardonische zinnetje:
Ingewijden in de psychoanalyse weten waar zij de kern moeten zoeken van de antipathie die de patiënt tegen mij koestert.
Zeno zelf komt pas tot rust als hij er een andere, klassieke dokter bijroept. Deze dokter Paoli onderzoekt zijn urine. Eindelijk weer exacte wetenschap in plaats van ijle speculaties.
Dit was nu eindelijk weer eens een echte analyse en geen psychoanalyse. Ik dacht met empathie en ontroering terug aan mijn vroegere chemische studies en echte analyses: ik, een reageerbuisje en een reagens! De ander, het object van de analyse, sliep zolang de reagens hem niet dwingend wakker schudde. De weerstand in het buisje, zo die er al was, verdween bij de geringste temperatuurverhoging en van simulatie was geen spoor te bekennen. Er gebeurde in dat buisje niets dat ook maar enige overeenkomst vertoonde met mijn gedrag wanneer ik, om dokter S. een plezier te doen, nieuwe bijzonderheden uit mijn kinderjaren bedacht die de diagnose van Sofokles moesten bevestigen. Hier was alles echt. De te analyseren stof zat gevangen in het buisje, steeds gelijk aan zichzelf, en wachtte op de reagens. Als deze werd toegevoegd vertelde de stof steeds hetzelfde verhaal. In de psychoanalyse heeft men nooit tweemaal hetzelfde visioen en herhaalt men nooit twee maal dezelfde woorden. We zouden er een andere naam aan moeten geven, bijvoorbeeld psychische avontuur. Ja, precies: wanneer men een dergelijke analyse begint is het alsof men zich in een bos begeeft, niet wetend of men er een rover of een vriend zal tegenkomen. En als het avontuur voorbij is weet men het nog niet. Hierin vertoont de psychoanalyse overeenkomst met het spiritisme.
Het boek eindigt wanneer de donderslagen van de Eerste Wereldoorlog eindelijk tot Zeno doordringen, in 1915. Hij komt los uit zijn cocon. Hij beseft dat hij al die tijd doodgemoedereerd heeft geleefd "in een gebouw waarvan de benedenverdieping in brand stond" zonder het besef dat "op een gegeven moment het hele gebouw met mij erbij in de vlammen zou opgaan". Zeno meet niet langer zijn gezondheid af aan anderen en stelt vast dat het leven geen ziekte is: "Ik geloof dat ik nu pas definitief los ben gekomen zowel van mijn gezondheid als van mijn ziekte". Toch eindigt het boek met een naargeestig slotbetoog.
Natuurlijk ben ik niet zo onnozel de dokter kwalijk te nemen dat hij mijn leven zelf als een uiting van ziekte heeft gezien. Het leven lijkt in zijn verloop een beetje op een ziektegeval: het kent hevige crises en perioden van langzaam herstel, met daarnaast de dagelijkse verbeteringen en verslechteringen. Maar het verschilt in zoverre van andere ziekten dat het altijd dodelijk is. Daar is geen remedie tegen te vinden. Het zou hetzelfde zijn als wanneer we de openingen in ons lichaam gingen dichtstoppen, in de veronderstelling dat het wonden zijn. We zouden al spoedig na de behandeling stikken.
Het leven van nu is tot in zijn wortels vergiftigd. De mens heeft bomen en dieren van hun plaats gedrongen en de lucht verontreinigd, de vrije expansie belemmerd. Er kan nog erger gebeuren. Dit somberste en ijverigste aller dieren zal misschien nog andere krachten ontdekken en aan zich onderwerpen. Er hangt een dergelijke dreiging in de lucht. Het geval zal een grote rijkdom zijn… in mensental. Elke vierkante meter zal door een mens worden bezet. Wie zal ons genezen van het gebrek aan lucht en aan ruimte? Bij de gedachte alleen al krijg ik het benauwd!
Maar dat is het niet alleen.
Al onze pogingen om gezondheid te verwerven zijn vergeefs. Gezondheid is alleen weggelegd voor het dier, dat slechts één evolutie kent, die van zijn eigen organisme. Toen de zwaluw begreep dat de trek voor hem de enige levensmogelijkheid was, ontwikkelde hij de spieren van zijn vleugels en deze werden het belangrijkste deel van zijn organisme. De mol kroop in de grond en zijn hele lichaam paste zich bij deze levenswijze aan. Het paard werd groter en vervormde zijn tenen tot hoeven. Van sommige dieren kennen we de evolutie niet, maar die zal stellig hebben plaatsgevonden en hun gezondheid nooit hebben geschaad.
De gebrilde mens daarentegen bedient zich van werktuigen buiten zijn lichaam, en al zal hun uitvinder misschien nog gezondheid en noblesse hebben bezeten, deze ontbreken vrijwel altijd in hun gebruikers. De werktuigen worden gekocht, verkocht of gestolen en de mens wordt steeds slimmer en steeds zwakker. Ja, het is duidelijk dat zijn slimheid toeneemt in evenredigheid met zijn zwakheid. De eerste werktuigen die hij gebruikte leken nog verlengstukken van zijn armen en konden slechts door de kracht daarvan worden aangewend, maar langzamerhand heeft het werktuig elke relatie met de ledematen verloren. En het is het werktuig dat de ziekte creëert doordat het de mens afwendt van de wet die op de gehele aarde steeds de scheppende kracht was. De wet van de sterktste verdween en we verloren de natuurlijke selectie. Wat kan psychoanalyse hier baten? Onder de wet van de bezitter van het grootste aantal werktuigen kunnen slechts ziekten gedijen en de zieken in aantal toenemen.
Misschien zullen we door een ongekende catastrofe, door die werktuigen zelf ontketend, tot de gezondheid terugkeren. Als gifgassen niet meer voldoen zal een mens, van dezelfde makelij als alle anderen, in de beslotenheid van een kamer ergens op de wereld een stof uitvinden van zo’n verbijsterend explosieve kracht dat in vergelijking daarmee alle thans bestaande explosieven als onschuldig speelgoed kunnen worden beschouwd. En een ander mens, eveneens van dezelfde makelij als alle anderen maar nog een beetje zieker, zal dat explosief roven en zich ermee terugtrekken naar een plaats in het centrum van de aardbol, van waar hij meent dat het effect het grootst zal zijn. Er zal een geweldige explosie komen, die niemand zal horen, en de aarde, tot zijn nevelvorm teruggekeerd, zal door de ruimte zweven, vrij van parasieten en ziekten.
Persoonlijke appreciatie
Italo Svevo maakt grote indruk. Vooral in de eerste driekwart van het boek riep hij een contradictie over me af: ik ging volledig op in de afstandelijke toon van het boek. Zoals alle grote meesters is Svevo's schriftuur niet meteen met die van iemand anders te vergelijken. In vertaling kwam hij me voor als een matig stilist, log op zinsniveau, maar heerlijk ironisch in de uiteindelijke gedachte.

De Bekentenissen lezen is luisteren naar een voice-off — laag, neutraal, hypnotiserend. Het naturel van het boek is groot, want elke volgende zin klopt, en is dikwijls volstrekt onvoorspelbaar. Spaarzame humor ("Ik stootte mijn knie tegen een punt van het Venetiaanse tafeltje, dat een en al punt was") brengt waar nodig licht in de monotonie.

Wat vele lezers zal afstoten, trok mij juist aan: de zelfontleding, in precisie vergelijkbaar met Louis Althusser (De toekomst duurt lang) of het proza van Pessoa. Zeno is zijn eigen grootinquisiteur. Luciditeit zonder wilskracht, zonder daadkracht — het blijft een bizar schouwspel. Vierhonderd bladzijden lang beschouwt Zeno het hele leven als een ziekte. Hij doet prognoses, wijst op de complicaties van zijn daden en treedt desnoods op als zijn eigen kwakzalver.

De Bekentenissen vormen een mentaal landschap om in te wandelen. Veel gebeurt er niet. Voorvallen die voor andere auteurs en personages mijlpalen zouden zijn, worden afgedaan in een paar frasen. De geboorte van Zeno's dochtertje Antonia moet het stellen met welgeteld één zinnetje. Ergens is het wel knap hoe Svevo het reilen en zeilen van Zeno's zakenleven vaag kan houden op een manier dat het toch niet ongeloofwaardig wordt.
Toen hij over zijn zaken sprak nam Guido’s knappe donkere gezicht een hoogst ernstige uitdrukking aan. Het scheen dat hij reeds alle transacties had overdacht die hij wilde overnemen. Hij keek over mijn hoofd heen in de verte, en ik had zo’n vertrouwen in de deugdelijkheid van zijn overwegingen, dat ik me omdraaide om ook in de verte te kijken naar wat hij zag, namelijk de transacties die hem het fortuin zouden brengen. Hij dacht er niet aan het systeem over te nemen dat onze schoonvader met zoveel succes had toegepast, en evenmin zich naar het voorbeeld van Olivi angstvallig aan de geijkte paadjes te houden.
Het is niet verwonderlijk dat vooral vrouwen, die de rottingsgeur van nutteloze, te ver doorgedreven ratio van op afstand ruiken, dit boek niet lusten. Spontaniteit blijft de belangrijkste aandrijfriem voor vrouwen in relaties. Daarom knappen ze vaak af op het vermogen van de man om zijn eigen begeerte te onderwerpen aan een klinisch onderzoek. In een mysogien moment geeft Zeno dat verschil zelf al aan:
Lange tijd konden Alberta en ik niet vergeten dat ik een lichaamsdeel van haar had aangeraakt met de onverholen opzet er een aangename sensatie van te ondervinden. De woorden hadden de daad onderstreept en omgekeerd. Zoalng zij niet getrouwd was had ze voor mij altijd een glimlach en een blos, daarna echter een blos en een geërgerde uitdrukking. Zo zijn de vrouwen. Elke nieuwe dag brengt hun een nieuwe interpretatie van het verleden. Hun leven zal dan ook nooit eentonig kunnen zijn. Voor mij behield mijn daad altijd dezelfde interpretatie: de roof van een verrukkelijk kleinood, en het was Alberta’s schuld dat ik eerst een tijd trachtte haar aan dat incident te herinneren, terwijl ik er later heel wat voor over zou hebben gehad om het haar voorgoed te doen vergeten.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Janet Malcolm over de zin en onzin van psychoanalyse

Italo Svevo, Bekentenissen van Svevo
439 p.
Uitgeverij Atheneaum Polak & Van Gennep, 1988
Oorspr. La coscienza di Zeno (1923)
Vertaald door Jenny Tuin

____

zondag 15 november 2009

The ability to hold two opposed ideas

The test of a first-rate intelligence is the ability to hold two opposed ideas
in the mind at the same time, and still retain the ability to function.
F. Scott Fitzgerald, in: The crack-up

____

vrijdag 13 november 2009

Het beste land ter wereld - Dylan van Eijkeren

Ah, mijn allereerste gesprek met echte Nederlanders, twintig jaar geleden, in de Efteling. Een jongetje van de lagere school raakt tijdens het lange wachten op de bobslee aan de praat met twee Hollandse meisjes — mooi, blond, rijzig, een jaar of zeventien. Blijkt dat mijn vriendjes en ik meer weten over Nederland dan deze twee middelbare scholieren over België. 'Het enige wat ik van België ken is Brussel,' zegt een van de meisjes, met perverse trots.

Het verhaal schoot me te binnen toen ik Het beste land ter wereld oppakte, een reisboek voor Nederlanders die doorgaans niet zuidelijker tot België doordringen dan Antwerpen of westelijker dan de Ardennen. Onmiddellijk daarna overheerste een gevoel van wantrouwen. Die titel, die website... Dit boek is een beetje te goed in de markt gezet om helemaal serieus te nemen. Maar naarmate het boek opschoot, klonk de sympathie van Dylan van Eijkeren best oprecht en genuanceerd.

Na een boek over Duitsland en een over Suriname reisde Dylan van Eijkeren in de winter van 2006 op 2007 door België, in een tijd dat er nog helemaal geen politiek rumoer was. De verkiezingen waren in aantocht, en de honderden Belgen met wie praatte voorspelden unisono dat België op een dag zou ophouden te bestaan. Maar op korte termijn had niemand zo'n grote crisis zien aankomen.

Een zekere band met België had Van Eijkeren altijd al. Hij bracht zijn jeugd door in Zuid-Nederland, drie kilometer van de Belgische grens. Als de kind merkte hij reeds de verschillen toen hij België binnenfietste.

In België waren bier, sigaretten en tweetaktbenzine goedkoop, in België praatten de mensen compleet anders dan in Brabant, in België hingen enorme reclameborden, in België heersten gevoelens van spleen en tristesse die wij, blij voetballend in de Hilvarenbeekse weilanden, niet kenden.
België was, ondanks die luttele drie kilometer, exotisch. Belgen betaalden met franken, Belgen konden niet voetballen, wij kenden geen enkele Bekende Belg. Dat het exotisch was, kwam misschien vooral door de vreemde types die we in Belgische cafés zagen zitten. Bij Mieke Pap in Poppel zat naast de bar altijd een vent een met een half oor, er leek een echte hap uit te zijn genomen. Een andere kerel dronk altijd drie glazen bier tegelijkertijd.
België was "fysiek zo dichtbij, maar mentaal zo veraf". Van Eijkeren wou die afstand overbruggen, nam op zekere dag de wagen en stak met een notitieboekje de grens over. De trip werd geen vakantie, omdat vakantie een tochtje naar het bekende is, in de hoop op goed weer en een leuk huisje. Een reis is een tocht naar het onbekende, bedoeld om ontdekkingen te doen.
Ik reis niet om de reis, noch om landen te ontdekken. Volledigheid nastreven is niet mijn opzet. Mijn zelfopgelegde taak is een idee te krijgen van wat er speelt, wat er gaande is — in dit geval mijn buurland. Ik reis om te ontdekken hoe de wereld werkt. In de Belgische wereld speelt een hoop, er speelt vooral van alles wat de noordgrens nooit passeert zonder dat er een speciale verslaggever op afgaat.
Van Eijkeren pakt zijn Belgiëreis grondig aan — de Oostkantons, Brussel, Wallonië en Vlaanderen. De tocht voert hem naar Luik (p. 17), Spa (31), Malmédy (38), Manderfeld (45), Sankt Vith (51), Bastogne (57), Durbuy (62), Dinant (75), Charleroi (85), Marcinelle (88), Namen (92), Brussel (110), Sint-Maria-Lierde (127), Kortrijk (135), Diksmuide (141), Wevelgem (150), Ieper (151), West-Vleteren (155), De Panne (159), Oostende (166), Brugge (176), Gent (180), Antwerpen (188), Turnhout (212), Leopoldsburg (220), Lier (226), Leuven (231), Hasselt (238), Tongeren (248), Voeren (254) en nogmaals Brussel (261). Het vinden van de weg (34) en het consequent aanhouden van de taal van de plaatsnamen (80) zijn op zich al een avontuur.

Het beste land ter wereld houdt zich nogal op de vlakte. Er staan geen syntheses in die je nog eens wilt nalezen. Van Eijkeren kijkt rond, bestudeert de bevolking op straat, leest regionale kranten, drinkt koffie. Vervolgens schrijft hij op wat hij zag, in scènes die goed voor de geest te halen zijn, hoewel dikwijls aangelengd, met een auteur die nadrukkelijk aanwezig is. Toch is Het beste land ter wereld geen gratuit boek, want Van Eijkeren ziet scherp, en weet schijnbaar doordeweekse observaties boeiend te brengen.
Net als in Namen en Bergen zijn ook in Doornik nogal wat dertigjarige mannen solo op stap. Ze lezen een krant of staren in het niets, ze drinken een biertje, roken hun tabak, eten een hap. Dat voltrekt zich zonder uitzondering nagenoeg geluidloos. Je ziet ze wel maar je hoort ze niet. Dit zijn de echte Walen. Een wat beduusde menssoort, een type dat wat onzeker, maar evenzeer op het gemak de wereld aan zich voorbij ziet trekken, in een besef dat ze er nauwelijks deel van uitmaken.
Van Eijkeren doet niet aan politiek en geschiedenis, en dat maakt zijn boek minder informatief dan zou moeten. In de terzijdes — over de fictieve reportage Bye Bye Belgium, bierbrouwerij InBev, de Borinage, de grands travaux inutiles (uitvloeisels van de wafelijzerpolitiek), Leopold II, Congo, de Guldensporenslag, de koningskwestie, Leuven Vlaams, De Grootste Belg, de geschiedenis van de Oostkantons, de IJzerbedevaart — praat hij, anders dan een Harry Pearson, gewoon de encyclopedische lemma's na. Soms is de aangeboden informatie pijnlijk slordig. Elio Di Rupo zou "zich naar verluidt ooit hebben vergrepen aan een minderjarige", staat er ergens. Dat is manifest onwaar.


Maison Antoine, Brussel. 'Het beste frietkot ter wereld.' - Via Flickr.

'Ik ben maar een boerke'
Om het gebrek aan eenduidigheid in België te illustreren, grijpt de auteur dan maar naar — goedgekozen — anekdotes. De grootste brouwer ter wereld, een multinational, heeft een studentikoos briefje aan de poort hangen dat ze is verhuisd. De Waalse busdienst TEC en het Vlaamse busbedrijf De Lijn hebben in Voeren om en om haltes. Het kookboek van de boerinnenbond krijgt een Vlaamse cultuurprijs. Na Leuven Vlaams bleven de oneven genummerde boeken in Leuven, de even exemplaren gingen naar Louvain-la-Neuve.

Maar dat zijn expliciete voorbeelden. Van Eijkeren heeft als buitenstaander ook oog voor verhalen waarvan de gekkigheid mij niet eens meer opvalt. Ik noem vijf voorbeelden.

In het dagblad La Meuse, Sudpresse, editie Le Quotidien de Verviers leest hij tijdens het ontbijt een rechtbankbericht.
Een slapende man wordt door de politie in zijn auto aangetroffen. De motor loopt, zijn radio staat knalhard. Ze ruiken drank, hij lijkt ladderzat te zijn. Na ampel overleg besluiten de dienders de zatlap niet te arresteren, want hij snurkt lekker, en hoewel er alle verdenking is dat hij dronken heeft gereden of zal gaan rijden, doet hij dat op dat moment niet, want hij doet een tukje. Wel, zo besluiten de agenten, geen overtredingen, maar ‘we zullen hem toch vragen de oorverdovende muziek wat te temperen’. Daartoe maken ze hem wakker.
Dat vindt de man niet prettig, hij ontsteekt onmiddellijk in toorn. Hij scheldt het duo kapot en weigert iets aan het muziekvolume te doen. Daarop ziet het politieduo zich gedwongen de man ‘in de boeien te slaan en op te brengen’. Voor zover het nog geen archetypisch Belgisch bericht was, wordt het dat nu: op het bureau doet de man aangifte. De agenten zouden hem hebben mishandeld, uitgefoeterd, en van vierhonderd euro hebben bestolen. Daarop doen de agenten aangifte van belediging van ambtenaren in functie. Gisteren kwam de zaak voor de rechtbank. De man kreeg een boete van vierhonderd euro, waarbij de rechter aantekende ‘de symboliek van dat bedrag zwaar te laten tellen’. De man was niet onder de indruk en tekende prompt hoger beroep aan. Hij liet het Openbaar Ministerie geen keus. Ook de officier ging in beroep, en vertelde de pers meteen wat hij zou gaan eisen: ‘Twee keer vierhonderd euro, om hem de symboliek in te wrijven.’
België!
In een café in Bastogne zit Van Eijkeren tussen Amerikaanse en Canadese toeristen, met een Maredsous voor de neus.
Drinken uit een aardewerken kelk valt nog niet mee: je ziet geen kleur of kraag. Daarom bestel ik snel een pils, als mijn buurvrouw me vraagt: ‘Rookt u?’
Zou dit de geheime sigarettenpolitie zijn die de smokkelaars van Malmédy op de korrel heeft? ‘Soms,’ zeg ik. ‘Alleen bij bier.’
‘Wat vindt u er dan van?’
‘Van roken?’
‘Het is toch belachelijk dat een minister, eentje, een heel land kan verbieden te roken?’
‘Dat is me ontgaan,’ zeg ik, ‘iedereen rookt hier toch?’
Een lang verhaal volgt: per 1 januari wordt roken in de Belgische cafés en restaurants verboden. Behalve, en nu komt het, wanneer de gelegenheid kleiner is dan dertig vierkante meter, wanneer de omzet voor minder dan 30 procent van voedsel afkomstig is, of wanneer het geserveerde voedsel, en nu komt het echt, geen aardappels bevat. Men zal denken: deze man dronk zeker iets te veel Maredsoussen. Zo is het niet.
Die laatste subvoorwaarde hangt samen met de eerste Belgische wet van het restaurantwezen, vertelt iemand me later, elders. Die wet luidt: een restaurant dat geen aardappels serveert, is helemaal geen restaurant. Het gaat daarbij om aardappels in welke vorm ook, het hoeven niet per se frieten te zijn. Gebakken of gekookte aardappels, gepoft, als kroketten, als rösti, alles telt. En puree uit een pakje? Waarop die iemand me later zegt, als ik dat opper: ‘Ha! Die puree zou weleens onvoorzien kunnen zijn!’ Een blijere Belg dan een regelontduikende Belg, die bestaat niet.
Daar komt bij dat iemand die volgens de aardappelregel geen restaurant heeft, niet het hoge btw-tarief betaalt, maar het lage. Uitgezonderd van deze regel, en nu komt het helemaal, zijn de frietkotten. Die verbruiken namelijk wel aardappels, maar zijn noch een regulier restaurant, noch hoeven ze het hoge btw-tarief te betalen. Toch mag in frietkotten, al wordt daarover fiks geredetwist, niet worden gerookt.
Op een dag rijdt de schrijver over de N42 naar Lesse, zijn omrijroute om naar het Vlaamse Geraardsbergen te komen.
Lesse is een Waalse plaats, en heet eigenlijk Lessines. Aan de Vlaamse kant van de taalgrens zei iemand me dat in Lesse nog nooit iets is gebeurd, en dat het ‘uiterst onwaarschijnlijk’ is dat de wereldberoemde – en steeds beroemder wordende – surrealistische schilder René Magritte er is geboren (en toch is het zo. Het is, achteraf, zo’n typisch Belgische, onnavolgbare opmerking: waarom zou het onwaarschijnlijk zijn dat iemand ergens is geboren?.
In Tongeren loopt een forse man langs de weg, een jarenzeventigsporttas aan zijn hand — een tas van het type dat onder hippe jongelui retro wordt genoemd.
Ik doe het raampje open en vraag hem de weg naar de bed and breakfast. ‘Die weet ik,’ zegt hij, ‘die is van Tilly uit Maaseik. Maar het is een beetje lastig om uit te leggen. Mag ik meerijden, dan wijs ik het u. Mag dat? Bent u zeker? Ik ben maar een boerke.’ Als deze opmerking niet zou zijn uitgesproken met de meest dodelijke ernst, als ’s mans postuur en voorkomen niet zo ruraal zouden zijn als het pre-industriële tijdperk, dan zou men in de lach schieten om zo’n horige vraag. ‘Ik heb modder aan mijn schoenen, hoor’, zegt de man.
Tot slot. Op een ochtend leest Van Eijkeren in Het Laatste Nieuws dat ‘Bobbejaan Schoepen (1925) de Lifetime Achievement Award van de Belgische muziekindustrie’ krijgt.
Dat gebeurt vanwege zijn liedjes, ‘die in het collectieve geheugen van Vlaanderen’ zijn geëtst. Neem nou ‘Ik heb eerbied voor jouw grijze haren’ en ‘Lichtjes van de Schelde’. Het leven van de artiest is nogal opwindend geweest, lees ik. In de jaren vijftig trad Jacques Brel op in het voorprogramma van Schoepen. Schoepen kocht het paard van Zorro — dat schielijk de geest gaf toen het op een ongeïsoleerde electriciteitskabel stapte. Schoepen verkocht miljoenen en miljoenen platen en werd een van de rijkste Belgen. Hij trad in New York City op in de televisieshow van Ed Sullivan en speelde in tien speelfilms. In de jaren zestig wilden de Rolling Stones hem graag in Brussel ontmoeten, maar daarin had Schoepen geen zin: ‘Gortige pubers.’
Zo’n berichtje is voor mij typisch voor België geworden. Er wordt een nationale prijs uitgeloofd die doodgemoedereerd de Franstalige kant van het land volstrekt negeert, men is apetrots op de eigen taal en de eigen cultuur, en het draagt iets absurdistisch in zich: een zingende cowboy met een eigen pretpark wordt geëerd vanwege een muzikale prestatie die hij vijfenvijftig jaar eerder leverde.
Het siert de auteur dat-ie geen potje België-Nederland op het oog had. Maar voor mij is het jammer. Had Van Eijkeren er telkens het Nederlandse gebruik naastgeplaatst, was mij als Vlaming meer duidelijk geworden. De schrijver volstaat echter met Vlaamse situaties navertellen voor de Hollandse achterban. Eigenlijk heb ik een bloedhekel aan het cliché het 'surrealistische' België. De Avonden programmeerde midden in een half uur gesprek met Van Eijkeren over België een scheut Egyptische muziek. Vond ik dan weer grappig.


Bobbejaan Schoepen. - Via Zamu.be

Met ineengewrongen geweien
Maar ter zake nu. Is België half Frans en half Nederlands, of is het Groot-Luxemburgs? Is België een bananenrepubliek of een welvaartstaat? Struikel je hier echt over de sekskelders, zoals de running gag uit Het beste land ter wereld wil? Wat víndt Dylan van Eijkeren uiteindelijk van België?

Hij noemt het een "een heel liberaal, vrij, mooi en eigenlijk ook heel ruimtelijk land" met meer burgerlijke vrijheden dan in Nederland. Belgische huizen mag je bijvoorbeeld net zo bouwen als je zelf wilt. Belgen houden het graag zo aangenaam mogelijk voor iedereen, "men is niet per se en uitsluitend uit op egomaximalisatie" zoals de doorsnee Hollander. Het cliché van de beleefde Belg klopt — zelfs de schoolkinderen gedragen zich in musea. Edoch, vaak gaat gemoedelijkheid geruisloos over in gelatenheid. Schandalen veroorzaken in dit land nooit een structurele, langdurige verontwaardiging.

België — op Antwerpen en Brussel na, die worden afgebeeld als aangename, kleurrijke, arbeidszame steden — wordt als uitgesproken provinciaal neergezet. Uit alle dialecten die Van Eijkeren hoorde, maakt hij op dat alles heel lokaal is, dat het land via haar Gemeenschappen en Gewesten is ingericht. Inwoners van plaatsjes als Eupen en Sankt Vith staan al half-vijandig tegenover elkaar. Kun je nagaan.
Kreitz is de eerste die me zegt dat hij zijn buurman niet kan of wil verstaan. Tijdens mijn reis zal het me vaker gebeuren. De grote taalgrens is een politiek onderwerp, niet iets waar de Belg zich dagelijks erg over lijkt op te winden. De Waals-Vlaamse scheiding is een aanstaand feit, volvoerd in vijf grondwetswijzigingen tussen 1970 en 2001 en straks waarschijnlijk bekrachtigd door nog een amendement. Daarover klagen is een abstracte aangelegenheid, en dus klaagt de Belg over zijn buurdorpen en de naburige provincies.
De grootste ontdekking van de schrijver is wel dat het Waalse deel van het land helemaal niets te maken bleek te hebben met de Vlaamse levensstijl, en daar ook niets mee te maken wil hebben. De streek bezuiden de taalgrens is armer, buitenlandser. In nogal wat Waalse steden ziet de schrijver louter gehandicapten, ouderen, schooljeugd, zieken, zwakken en een enkele werkloze. Aan de muziek lijkt het of de jaren tachtig net zijn begonnen. De restaurants zijn er chic en oubollig tegelijk, de reclameborden veel te groot. In Wallonië lijkt het altijd te motregenen. Er is veel leegstand. "Nette armoede." Zwerfvuil in de bermen. Een film als Calvaire is niet helemaal uit de lucht gegrepen.

Tot spectaculaire verhalen komt het niet. Toch voelt Van Eijkeren nergens dedain voor het rustige leven in de provincie, met ook daar de zware maaltijden en de honderd soorten bier (behalve Heineken). Ook in de Waalse middenstad is het aanbod van de winkels zoveel gevarieerder, beter gesorteerd en smakelijker dan de Nederlandse pendant. De Walen worden omgeschreven als een inzichzelf gekeerd, maar daarom nog niet xenofoob volk.

En Vlaanderen? In vergelijking met Wallonië is het daar een feest, een pretje. Vlaanderen is een ander land, klinkt het ferm. Koddig, bourgondisch en ludiek, zoals het Nederlandse cliché het wil. Maar ook netter en efficiënter dan verwacht.

En onverschillig tegenover de Walen! Van Eijkeren begrijpt niet dat in een door de bank genomen welvarend land met een hoge westerse levensstandaard de inwoners het elkaar desondanks zo zuur proberen te maken. Dat een klein land met zo veel buitenland om zich heen twee nóg kleinere gemeenschappen herbergt "die als herten met ineengewrongen geweien tegenover elkaar staan". Tegelijk blijft het bij bokkigheid. Walen en Vlamingen gaan elkaar niet te lijf.
Maar alle overheidsmaatregelen die de gewesten en gemeenschappen verder ontkluwen, maken tegelijkertijd dat de verbondenheid tussen de Walen en Vlamingen almaar geringer wordt. We haten elkaar niet, we hebben gewoon niks met elkaar te maken. Dat is nou net het probleem. Waarom zou men offers willen brengen voor een bevolkingsgroep waarmee men geen enkele affiniteit heeft? Een bevolkingsgroep waarvan men niets weet, waarover men amper het nieuws volgt, die een andere taal spreekt, die gericht is op een ander buitenland, en die wettelijk steeds verder van het eigen bed verwijderd raakt?
Vergelijken is onzin, vanzelfsprekend. Daarom moet het de willekeur zijn die me doet denken aan de Nederlandse Antillen. Want ik wil geen belasting betalen omdat Curaçao zo veel werklozen heeft, of omdat Sint Maarten zo corrupt is.
Wat de Belgische politiek doet, is iedere vorm van saamhorigheid, van wederzijdse loyaliteit en van sympathie voor het andere volksdeel ondermijnen. De Walen houden zich dezer jaren rustig; ze weten dat ze economisch veruit de mindere zijn van de Vlamingen. Wat als straks de scheiding van tafel en bed wordt omgezet in een definitieve scheiding, zodat de Walen ook niet langer op het Belgische welvaartssysteem kunnen leunen? Zullen ze dan nog steeds voorstanders van een verenigd België zijn? Wat zou hun standpunt zijn als ze geen zwaarwegend financieel-economisch belang hadden?
En, Belgen, denk eens na. Stel dat het echt zover komt dat België staatkundig wordt gesplitst. De geschiedenis leert dat niets onmogelijk is, maar moet België dan een Balkanese lappendeken worden? Of is de krankjorume utopie van een Frans Wallonië en een Nederlandse Vlaanderen aan het verworden tot een publieksgeheime dagdroom?

[...]

België meldde zich als een der eerste landen bij de NAVO, België zat als eerste bij de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, België haalde de organisatie van de Wereldtentoonstelling Expo 58 binnen: België, als jonge natie, liep voorop in de wereld. België was een modern, geëmancipeerd land, een land dat overtuigd was van het nut van internationale samenwerking — en dat bovendien succesvol het hoofd leek te hebben geboden aan het binnenlandse probleem van de tweetaligheid. Wie in de jaren zestig een land zou hebben gesticht, zou dat best hebben kunnen doen naar Belgisch voorbeeld.
Dat succes, die vooruitstrevendheid en die eenheid eindigde met vijf grondwetswijzigingen van 1970 en 2001. Ondertussen boekte het Belgische elftal – de Duivels – nog successen, door tweede te worden op het Europees Kampioenschap van 1980 en, na Nederland te hebben uitgeschakeld, vierde te worden op het WK, zes jaar later in Mexico.
Maar de ondergang is ingezet. Die begint met schandalen, schandalen en schandalen. De omkoopaffaire-Agusta, steeds meer en steeds bekendere corrupte rijkswachters en politici, de overvallen van de Bende van Nijvel, de aanslagen van de Cellules Communistes Combattantes, de Voerense kwestie, en als zure slagroom op de inzakkende taart de moorden van Marc Dutroux. Het is nogal wat, klap op klap, en als ik het zo bezie, denk ik: futiel. Mijn pogingen om dit land te doorgronden zijn futiel, ik ben nergens een staatsondermijnende, schietgrage seksfeestbezoeker tegen het lijf gelopen.
Ik ontmoette waardige burger na waardige burger. Toegegeven, zei de Belg, belastingontduiken moet, met een pint op de auto in is normaal, en mopperen op anderstaligen is folklore. Maar schieten? Moorden? Verkrachten? Roven en plunderen? Zo zag de Belg er niet uit. Eerder leek hij of zij redelijk tevreden, welvarende, niet van gezond mopperen gespeende burger, mondig maar beschaafd, uit op geldelijk gewin en een fijnhuis plus zilverkleurige Mercedes. Terrorisme, ontwrichting van de maatschappij en obstructie? Kom nou toch.
België is een soort Zwitserland (met heuvels in plaats van bergen).
Over Zwitserland gesproken: Zwitserland is ergens ook een soort België. Zwitserland zou de Belgische voorbeeldstaat moeten zijn: ook een land met verschillende talen dat op federaal gebied louter bijeen wordt gehouden door financieel belang en eigen gewin. Lijdt Zwitserland onder een overwegend federaal gezag waartegen de alpine rijkaards zich afzetten? Heeft Zwitserland last van separatisme en terreur? Nou dan. En zo zulks on-Zwitsers lijkt, lijkt het me eveneens compleet on-Belgisch. Dat stoort me. Want klaarblijkelijk — uiteindelijk, als het puntje bij het paaltje komt, vandaag — is separatisme en ontwrichting dus simpelweg niet on-Belgisch. Het is ongelooflijk, maar het is Belgisch. Net zoals de Brusselse chocolade, het Waalse bier, zoals René Magritte. De Belgische afscheidingsbeweging bestaat en heeft effect.
Vaststaat dat België voor pampus ligt, uitgeteld, in de hoek van de ring. Maar wie is de winnaar?
Niet een van de drie gewesten of een van de drie gemeenschappen lijkt me. De winnaar zal, afhankelijk van de verkozen oplossing, Frankrijk zijn, of Luxemburg, of Nederland. Een beetje Duitsland, want Duitsland zal de Oostkantons moeten ontvangen. Wallonië wordt het Bosnië-Herzegovina van Noordwest-Europa: kansloos. Vlaanderen zal het, al dan niet in combinatie met Nederland, best goed doen. En dat is dan dat. Het Belgische experiment is mislukt. Over honderd jaar zal niemand het meer uit eerste hand kennen. Dan is het een landje geweest dat ooit heeft bestaan, een experiment in de wereldgeschiedenis. Zoiets als de DDR, als Joegoslavië, als Tjechoslowakije. Dezelfde lijst van vergane landen. Ik hoop dat het anders zal zijn, dat de rationaliteit terugkeert net voor de ramp zich voltrekt, maar ik heb mijn twijfels. Je moet er maar zin in hebben. Je land splitsen. Arm België. Zo ondergewaardeerd. Maar ik houd stand: dit is het beste land ter wereld.
Laten we het er maar op houden dat België de bananenrepubliek onder de welvaartstaten is. Een zekere gêne was nooit ver weg toen ik Van Eijkeren las. Zelfs na dit boek snap ik niet waarom Nederlanders überhaupt naar onze rommelige contreien zouden afzakken. Het lekkere eten, het groen van de Ardennen en een zekere exotiek (ik veronderstel zoals ik op mijn beurt een sobere, onopzichtige schrijver als Karel van het Reve heel uitheems vind), maar verder? Ik ervaar België in de eerste plaats als een lelijk, grijs, amateuristisch en acultureel land. Mét draadloos internet, godezijdank.

Ach. Dylan van Eijkeren werkte in een vorig leven als misdaadverslaggever bij Peter R. de Vries en schrijft nu reisboeken. Dan zorg je natuurlijk wel dat je iets van die reizen en die boeken maakt. Ommetjes met het oog op een te schrijven reisverhaal worden vanzelf interessant.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> interview met Dylan van Eijkeren in Het Nieuwsblad
> lees ook op Achille: Het Belgisch Staatscircus

Dylan van Eijkeren, Het beste land ter wereld
Een Nederlander reist door België

285 p.
Uitgeverij De Geus, 2008

____

donderdag 12 november 2009

The Casual Optimist

"The Casual Optimist is a blog about books. I write about book trade and all things book-related, but mostly I want to share ideas about creativity, innovation, and best practice in publishing and the book-trade. Digital technology presents many challenges for authors, bookstores, publishers, and book distributors. It is also creating some remarkable opportunities. I don’t have the answers, but I’m optimistic we can figure it out together. Let’s talk."

> http://www.casualoptimist.com/

____

A Photo Editor

"A Photo Editor (APE) is Rob Haggart, the former Director of Photography for Men's Journal and Outside Magazine."

> http://aphotoeditor.com/

____

Marc Villemain

"Cyclothymies, fluctuations, paradoxes et autres angoisses..."

> http://villemain.canalblog.com/

____

Neatorama

"Got a neat story to share?"

> http://www.neatorama.com/

____

Freeware genius

"Best freeware reviews and downloads."

> http://www.freewaregenius.com/

____

woensdag 11 november 2009

Bartleby the scrivener - Herman Melville

Ik zat om een alibi verlegen om enige deeltjes aan te schaffen van de mooie, door David Konopka vormgegeven reeks The art of the novella. Zeker de helft las ik al in Nederlandse vertaling, waarbij de novellen, een onverkoopbaar geacht genre, stilzwijgend werden opgenomen in een verhalenbundel. Soit. Om volgend jaar Bartleby & Co te kunnen lezen van Enrique Vila-Matas, koos ik dan maar de klassieker van Herman Melville.

Een geëmotioneerde Herman Melville schreef het beroemde verhaal over de werkonwillige klerk te Wall Street in antwoord op de tegenvallende verkoop van Moby Dick.

Aan het woord is een advocaat die kantoor houdt in het zakendistrict van New York — John Jacob Astor (voorvader van de naamgenoot die met de Titanic onderging) was een van zijn vroegere werkgevers. Hij heeft drie medewerkers onder zich, Turkey, Nippers en Ginger Nut, maar omdat de zaken goed gaan, kan hij best een vierde klerk gebruiken.

Wanneer de minzame, haast roerloze Bartleby (bartelbie, niet bertelbaai) zich aandient, neemt hij hem meteen aan, in de veronderstelling dat het overtikken van gerechtelijke documenten, "being proverbially a dry, husky sort of business" hem op het lijf zal geschreven zijn. Aanvankelijk blijkt dat ook te kloppen.

At first Bartlebly did an extraordinary quantity of writing. As if long famishing for something to copy, he seemed to gorge himself on my documents. There was no pause for digestion. He ran a day and night line, copying by sunlight and by candlelight. I should have been quite delighted with his application, had he been cheerfully industrious. But he wrote on silently, palely, mechanically.
In eerste instantie oogt Bartleby als een angstaanjagend nauwgezette kopiist. Hij doet zijn werk naar behoren, lijkt niet te eten, niet te drinken, is steeds als eerste binnen, gaat steeds als laatste weg. Bartleby praat nooit, tenzij hem vragen worden gesteld.

Maar dan, als zijn baas hem opdraagt kopij van collega's te controleren, wat usance is op een advocatenkantoor, weigert hij alle dienst en geeft hij een de beroemdste replieken uit de Amerikaanse literatuur: "I prefer not to."
Imagine my surprise, nay, my consternation, when without moving from his privacy, Bartleby, in a singularly mild, firm voice, replied, “I would prefer not to.”
I sat awhile in perfect silence, tallying my stunned faculties. Immediately it occurred to me that my ears had deceived me, or Bartleby had entirely misunderstood my meaning, I repeated my request in the clearest tone I could assume; but in quite as clear a one come the previous reply, “I would prefer not to.”
Bartleby geeft geen opgaaf van redenen waarom hij het routinekarwei weigert uit te voeren, en het hele verhaal door zal hij zijn veto met serene vastberadenheid aanhouden. Het mooie van de advocaat — het mooie van Melville — is dat hij de klerk niet ontslaat. Integendeel.
I began to reason with him.
De advocaat wordt geraakt door de charme, het enigma en het weerloze van de man, met wie het van kwaad naar erger gaat. Na een tijdje voert deze helemaal niets meer uit, ook het normale kopieerwerk niet.

Maar in plaats van in woede te ontsteken, verdedigt zijn baas Bartleby tegen zijn misnoegde, want hardwerkende collega's en probeert hij de gêne te overwinnen wanneer zijn cliënten of vennoten de werkloze man achter zijn desk gadeslaan.

Op een dag ontdekt hij dat zijn klerk van het kantoor zijn onderkomen heeft gemaakt, en dat nooit verlaat. Die scène wordt prachtig beschreven in Bartleby the scrivener. Het gedragen Engels van Melville is een belangrijke smaakmaker.
Yet, thought I, it is evident enough that Bartleby has been making his home here, keeping bachelor’s hall all by himself. Immediately then the thought came sweeping across me, what miserable friendlessness and loneliness are here revealed! His poverty is great, but his solitude, how horrible! Think of it. On a Sunday, Wall Street is deserted as Petra, and every night of every day it is an emptiness. This building too, which of weekdays hums with industry and life, at nightfall echoes with sheer vacancy, and all through Sunday is forlorn. And here Bartleby makes his home, sole spectator of a solitude which he has seen all populous — a sort of innocent and transformed Marius brooding among the ruins of Carthage!
Het is goed om te beseffen dat er ruim een halve eeuw voor Kafka al Amerikanen waren die naargeestige parabels schreven waarin een nobody of een everyman (kies zelf maar) zich verhoudt tot een groter, anoniem systeem. Voor de rest interesseert het me niet hoe Bartleby een icoon werd voor de anti-kapitalistische kritiek, of hoe warhoofden als Slavoj Žižek en Gilles Deleuze dit mooie verhaal recupereren.

Waar ik Melville om bewonder is simpelweg zijn vakmanschap. Hij moet geloofwaardig maken dat een werkgever in een turbulente, competitieve stad als het negentiende-eeuwse New York dood gewicht gedoogt in zijn kantoor, ja daar zelfs consideratie voor krijgt. Dat is ongeveer hetzelfde als gauw even een oceaanstomer rechtsomkeert laten maken.

> lees een fragment uit dit boekje op Prins van Denemarken
> lees de volledige, geannoteerde hypertext
> A cultural context for 'Bartleby the scrivener'

Herman Melville, Bartleby the scrivener
64 p.
Uitgeverij Melville House Publishing, 2008
Oorspr. (1853)

____

dinsdag 10 november 2009

Moderne cultuur - Roger Scruton

De Nederlandse vertaling van An intelligent person's guide to modern culture was het eerste boek van Roger Scruton dat ik doornam. Zoals zo vaak las ik het zonder enige voorkennis van de auteur, nieuwsgierig geworden door de titel. Het boek bleek belangrijk voor mijn ontwikkeling, omdat het me in tijden van oneliners en soundbites eindelijk een coherente, grondig uitgewerkte visie van een conservatief denker aanreikte. Ik leerde dat zo'n visie meer dan respectabel kon zijn.

Des te jammer dat mijn aantekeningen bij nader inzien zo summier uitvallen. Een inhoudstafel, hier en daar een uitroepteken, en de vermelding 'herlezen'. Behalve een uitgebreide bibliografie ontbrak me kennelijk de energie om dit boek samen te vatten. En het moet gezegd, Roger Scruton doet nogal wat in Moderne cultuur. Het boek noemt zichzelf een gids, maar is daar in mijn ogen veel te weinig hapklaar voor. Dit is veel meer een bundel ambitieuze essays, waarvan het denkwerk en het vernuft van Scruton het ene logisch doet volgen uit het andere.

Hij definieert om te beginnen de begrippen 'cultus' versus 'cultuur', en 'beschaving' versus 'cultuur'. Bottom line volgens Scruton: religie is van huis uit een belangrijke overbrenger van gemeenschapszin, morele waarden en maatschappelijk relevante kennis. 'Wetenschappelijke cultuur' acht hij een zinledig, contradictorisch begrip, omdat cultuur, in tegenstelling tot de wetenschap, zich richt op de vraag wat we voelen. Wetenschap geeft geen antwoord op de vraag hoe we gevoel en handeling op elkaar moeten afstemmen; alleen cultuur en traditie kan dat. In Waarom cultuur belangrijk is zal Scruton daar uitgebreid op terugkomen. Niet weten dat, niet weten hoe, maar weten wat.

Waar het voor mij wringt is dat ik in cultuur en traditie veel meer willekeur zie dan Scruton. Waarom zou een intellectueel niet mogen nadenken over welke maatschappijvorm en cultuur het meest te verantwoorden is? Een ander zwak punt in zijn betoog — Scruton is zich daarvan bewust — is dat kunstwerken geen duidelijke richtlijnen of leerstellingen bevatten. Kunst kan religie dus nooit vervangen. Wat kunst wel kan is onze verbeelding en ons inlevingsvermogen aanscherpen.

Scruton zet zich af tegen moderne denkers die juist verdere secularisering zien als de weg naar morele volwassenheid, en tegen postmoderne denkers, bij wie de slinger helemaal doorslaat omdat zij de desacralisering van elke waarheid najagen, en zo in een vruchteloze negatieve spiraal terechtkomen. Als onze maatschappij nog steeds goed boert, komt dat omdat we teren op de verworvenheden van het christendom, vindt de auteur van dit boek. Daarmee negeert Scruton vanzelfsprekend de erfenis van de Verlichting (de democratische rechtstaat sinds de Amerikaanse revolutie) en de verbeterde levenskwaliteit die de wetenschappelijke en technologische revolutie ons bracht.

Waar ons mens-zijn dreigt vermalen te worden door alle objectieve wetenschappelijke kennis, vraagt Scruton opnieuw aandacht voor de waarde van de subjectieve ervaring, en die wordt het grondigst vastgelegd in uitingen van cultuur. Cultuur maakt ons tot mens. Cultuur staat hoger dan natuur.

Dat betekent niet dat natuurlijke aandriften geen uitstekend richtsnoer zijn. Een deugdelijke maatschappij, wist Edmund Burke al, ontwerp je ook niet zomaar rationeel en from scratch op de tekentafel. Zo'n ontwerp moet rekening houden met een realistische opvatting van de menselijke psychologie. En voor een conservatief is het gemeenschapsgevoel een evidente basisbehoefte van de mens. Daarom is het instituut familie ook zo belangrijk, omdat zij het samenhorigheidsgevoel al in de eerste lijn verstrekt.

Scruton heeft daarna hele hoofdstukken klaar over achtereenvolgens de Verlichting, de Romantiek, het modernisme, de avant-garde en het post-modernisme. Hij linkt de Romantische beweging in kunst en literatuur aan de neergang van het christelijk geloof en de Verlichtingsidealen. Het esthetische heeft het religieuze als belangrijkste sentiment vervangen, zo luidt de stelling. En wanneer kunst (cultuur) ophoudt een louter recreatieve functie te hebben, wanneer het esthetische dus als iets waardevols an sich wordt gezien, dan dringt zich het probleem op van de smaak.

En hoe wordt smaak bijgebracht volgens Scruton? Via gedegen onderwijs. Leerkrachten moeten niet alleen opzoekbare weetjes en technische kennis overbrengen, maar de waarde en de impact diets proberen te maken van de traditie. De traditie, waarin, grof gezegd, alleen het beste dat ooit gedacht en gemaakt werd standhoudt. Scruton fulmineert heel terecht tegen de overschatting van de avant-garde (nieuw om het nieuwe) en de moderne kunst (waarin de koopwaarde de intrinsieke waarde van een kunstwerk steeds meer overschaduwt).

Inderdaad wordt Moderne cultuur naar het einde toe een steeds vermakelijker boek, omdat Scruton dan pas echt begint te polemiseren. Over het verschil tussen schilderkunst en fotografie ('Oppervlakkigheid en overdaad'), de personencultus in de popmuziek ('Eeuwige jeugd?'), links en het Russische nihilisme ('Ledigheid') en de deconstructivisten ('Des duivels oorkussen'). Het verschil tussen de achtenswaardige cultuurfilosoof en de ouwe zeur is dan niet altijd te maken, maar dat stoorde niet echt.

(Gebaseerd op notities van 2 februari 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide, selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Roger Scruton, Moderne cultuur : een gids voor kritische mensen
192 p.
Uitgeverij Agora, 2003
Oorspr. An intelligent person's guide to modern culture (1998)
Vertaald door Maarten van der Marel

____

maandag 9 november 2009

De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen - Karel van het Reve

In een rustig tempo werk ik de bibliografie van Karel van het Reve af. Twee boeken per jaar, tweemaal puur genieten. De Hollandse traditie op zijn best: korte zinnen, heldere gedachten, op elke andere bladzij stof ter overweging. Van het Reve hoort in de gereedschapskist van elke rationele literatuurminnaar. Fijn aan De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen is de dialoogvorm die soms wordt gehanteerd: de man met de stellingen versus de man met de tegenwerpingen.

Beknopt en vol oorspronkelijke ideeën: het opstel 'Groningen-Den Haag-Batavia' in deze bundel is misschien wel de sleutel om dat aspect van Karel van het Reve goed te kunnen plaatsen. Hij out zich daarin als een overtuigd dilettant, met de neiging om alleen iets te leren dat hem aanvliegt, en alleen datgene te lezen wat hem interesseert (jaloersmakende talenten, me dunkt).

Naast gênante momenten waarbij de universitaire omgeving hem enigszins met de nek kan aankijken als hij bepaalde vakliteratuur niet gelezen heeft, levert dat wel een belangrijk voordeel op. Als je je voor een zaak, een probleem interesseert, heb je dan de neiging je met de zaak zelf bezig te houden, en niet met de dingen die over die zaak geschreven zijn. Een dodelijker kritiek voor mijn eigen weblog kan ik niet verzinnen, maar ik kan het alleen maar met Van het Reve eens zijn:

De tijd die je uitspaart door de boeken over Tsjechov niet te lezen kun je gebruiken voor het lezen van Tsjechov zelf. En omdat het oeuvre van Tsjechov veel minder omvangrijk is dan het oeuvre van hen die over hem geschreven hebben spaar je een boel tijd, die je kunt gebruiken om over Tsjechov na te denken — tijd die de meeste mensen die gewoonlijk over Tsjechov schrijven niet hebben. Er bestaat, vooral wat het schrijven over literatuur betreft, in dat opzicht een zeer sterke en zeer funeste traditie, die maakt dat iemand die over Tsjechov schrijft eerst alles leest wat er over Tsjechov geschreven is en vervolgens al die geschriften ter sprake brengt, zodat je geneigd bent met Schopenhauer uit te roepen: iemand die zoveel gelezen heeft moet wel heel weinig te denken hebben gehad.
Mijn neiging om alleen maar te lezen wat ik leuk vind heeft er in ieder geval toe geleid dat ik nooit anderen nagepraat heb, want die anderen heb ik niet gelezen. Wie mij leest heeft het voordeel dat hij mijn mening leest en niet de mening van de auteurs die ik over het door mij besproken onderwerp gelezen heb.
Een dilettant die een beetje kan nadenken, kan vaak een waardevoller bijdrage leveren dan door de wol geverfde specialisten, vindt Van het Reve. Verderop in De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen noemt hij het voorbeeld van Ter Braak, die niets wist van Poesjkin, enkele verhalen van hem las en daar een recensie over schreef die interessant is voor de poesjkinist. Dat in tegenstelling tot wat historicus Jan Romein schrijft over Tatlin, Achipenko, Zadkine, Chagall, Mendelev, Metsjnikov, Moesorgski, Glinka, Balakirjev, Poesjkin, Gogol, Tolstoj, Tsjechov, Saltykov, Gorki, Stanislavski, Lenin, Stalin, Trotski, Gapon, Nicolaas II, Raspoetin, Kropotkin, Lavrov, Herzen, Martov, Boecharin, Witte — daar zit weinig interessants bij voor een Ruslandspecialist.



In vogelvlucht wat deze bundel nog te bieden heeft.

Het titelessay stelt een beetje teleur. Deels omdat er geen mij onbekende argumenten meer in stonden, deels omdat het completere 'Kort vertoog over de god van het christendom' van Etienne Vermeersch (opgenomen in Van Antigone tot Dolly) voor mij de purifiërende rol vervulde die 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen' voor tal van Nederlanders moet gehad hebben. Van het Reve is wél sterker in het verzinnen van educatieve beelden. Hoe kan God almachtig zijn én tegelijk zoveel lijden toelaten? Het is een van de bekendste argumenten tegen het christendom, en Van het Reve maakt dat aanschouwelijk als geen ander:
Onder de mensen vindt de God van joden en christenen alleen zijn evenknie in figuren van het soort Idi Amin: hij wil voortdurend opgehemeld worden, en hij haalt voortdurend gruwelijke schurkenstreken uit. Hoor je de gebeden der christenen, dan moet je wel tot de conclusie komen dat hun godsdienst tot de zogenaamde ‘kakodemonologieën’ behoort: door bidden en smeken proberen zij hun God er toe te brengen allerlei gruwelijke dingen niet te doen.
Daarbij meten zij telkens met twee maten. Doet God iets dat hun bevalt, dan wijten zij dat aan zijn goedheid. Doet hij iets gruwelijks — er valt immers geen musje ter aarde of het is zijn uitdrukkelijke wil — dan wijten zij dat aan de ondoorgrondelijkheid van zijn raadsbesluit. Op een buitenstaander maakt dat nu eens met vet en dan weer met boter bakken een uiterst onredelijke, ja oneerlijke indruk. Als ik mij goed herinner vermeldt bijvoorbeeld koningin Wilhelmina in haar memoires dat prins Bernhard een keer tijdens de oorlog te ziek was om een bepaalde vliegreis te maken. Dat vliegtuig vertrok zonder hem, en stortte neer. Hier prijst Wilhelmina God, omdat hij haar schoonzoon in leven liet, want het Nederlandse volk had hem nodig om de nazi’s te verslaan. De vraag dringt zich dan natuurlijk op of het niet veel eenvoudiger en vooral veel aardiger geweest was om dat vliegtuig gewoon in de lucht te houden. En: als die God zo tegen de nazi’s was, waarom heeft hij ze ons dan gezonden? Waarom die hele oorlog niet afgeblazen? En: als die God der christenen blijkbaar die nazistische holocaust zo nuttig en nodig achtte, waarom prijzen de christenen die God dan?
Omdat Karel van het Reve uit een niet-religieus gezin kwam (dat weliswaar niet per se dedaigneus tegenover gelovige mensen stond) mist 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen' echter het inlevingsvermogen dat anti-religieuze strijdschriften hebben van mensen die van hun geloof zijn afgevallen. Zo kan Van het Reve maar niet geloven dat de meerderheid van de priesters daadwerkelijk overtuigd is van wat ze verkondigen.

'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen' leert me wel, hoe makkelijk iemand, zowel een gelovige als een criticaster van het geloof, zich kan blindstaren op details. Hoe moeilijk het is om kritiek te formuleren over de essentie. Christenen, schrijft Van het Reve, wenden zich voortdurend tot God en doen dan twee dingen, die Van het Reve allebei nogal abject vindt: ze prijzen God en ze vragen hem voortdurend om iets. Zo'n zinnetje is veel directer dan allerlei theologische haarkloverij.

Het stuk veroorzaakte een toevloed aan lezersbrieven. Van het Reve gaat daar heel ascetisch mee om: hij volstaat ermee in deel twee van 'De ongelooflijke slechtheid' alle onzinnige reacties achter elkaar te zetten. Slechts hier en daar met commentaar. Er is bijvoorbeeld een lezer die hem erop wijst dat op aarde het goede overheerst. Repliek:
Ons eindoordeel over de Almachtige zou dus eigenlijk gunstig moeten luiden. Dat is een vreemde redenering. Zo zou je Hitler een brave man moeten noemen vanwege die prachtige autobanen, zijn bestrijding van werkloosheid en communisme, en omdat hij in 1943 en 1944 verreweg de meeste Nederlanders niet heeft laten vergassen.
In 'Het ongeziene en het ongelezene' geeft Van het Reve aan hoe makkelijk we fictieve elementen toevoegen aan een verhaal en die later voor werkelijkheid houden. Men heeft iets gelezen, men maakt daar iets bij en houdt de aldus veranderde tekst voor de oorspronkelijke. Van het Reve geeft het voorbeeld van Tolstoj en is niet te beroerd om ook uit eigen ervaring te putten, waardoor het stuk aan kracht wint.

'Dr. Freud en Sherlock Holmes' is een verweer tegen het mechanisme waarbij de juistheid van de conclusie als bewijs wordt gezien van de juistheid van de redenering die tot die conclusie heeft geleid. Als voorbeeld geldt een ogenschijnlijk sluitende verklaring die Freud aan een bepaalde ziektegeschiedenis gaf. Van het Reve somt knap alle over het hoofd geziene verklaringen op. Daarna wijst hij op de analogie met Watson, die de redeneringen van Sherlock Holmes voor uiterst scherpzinnig hield, blind gemaakt door het feit dat zo'n redenering leidt tot een conclusie die ‘juist’ is, dat wil zeggen in overeenstemming met de feiten. Ook hier geeft Van het Reve tegenargumenten aan. Vervolgens — "Hieruit volgt geenzins dat Freuds kromme redeneringen ontstaan zijn onder invloed van Holmes’ kromme redeneringen, ook al zou komen vast te staan dat die invloed er inderdaad geweest is" — past hij zijn theorie toe op zijn eigen essay. Tongue-in-cheek.

In 'Het schrijverschap van Multatuli' vermaakt Van het Reve zich met het bespreken, opzoeken, overdenken van gebreken van de schrijver waarvan hij zelfs de voetnoten bewondert. Het gezeur van Douwes Dekker over de eigen armoede, zijn bij vlagen stilistische omslachtigheid, het vele herhalen, de beroemde bon mots die vaak nergens op slaan, de tic altijd alles te willen uitleggen. Het is voor een schrijver soms heel moeilijk om te weten waar zijn kracht en waar zijn zwakheid ligt, schrijft Van het Reve. "Beethoven besteedde veel tijd aan zijn negende symfonie. Petrarca schreef lange Latijnse verhandelingen."
En dan is er met dat schrijverschap [van Multatuli, AvdB] nog iets vreemds. Een ‘normale’ schrijver ziet als een van de aantrekkelijke kanten van het schrijverschap het geld, dat zijn boeken hem zouden kunnen opbrengen. Je wordt een beroemd schrijver en als gevolg daarvan krijg je geld. Bij Douwes Dekker is het net andersom. Hij wil geld hebben, om met behulp van dat geld schrijver te kunnen worden, want dat geld zal hem de loisir verschaffen om acht uur per dag mensen te observeren en acht uur per dag te schrijven.
'Over slechte invloed' onderzoekt de positieve dan wel negatieve gevolgen wanneer kunstenaars zich expliciet laten leiden door theoretische uitgangspunten. Mahler die eerst het programmaboekje schreef en daarna aan de hand van dat programma het muziekstuk componeerde. John O’Hara, die zich niet kon losmaken van de theorie dat romans in de literatuur van groter belang zijn dan verhalen. "Nobody writes them any better than I do," schreef hij in 1968 in de inleiding bij zijn bundel And other stories, "but in energy and time they have become costly because the energy and time come out of resources that I must budget for the long novel". O'Hara wou per se nog een lange roman afhebben voor hij stierf, terwijl zijn kortverhalen tegenwoordig hoger worden ingeschat.

In een paar heerlijk provocatieve bladzijden noemt Van het Reve als een van de meest noodlottige literatuurtheorieën het werkelijkheidscriterium — de these van literatuurtheoretici, recensenten en ook vele schrijvers, dat een boek dat meer uitstaans heeft met de werkelijkheid per definitie beter is. Het is een theorie die in de loop der eeuwen telkens weer in verschillende gedaanten opduikt. Eerst probeerde men de natuur zo goed mogelijk na te bootsen, daarna kwam de literatuur die de menselijke hartstochten 'correct' weergeeft (type 'Shakespeare verklaart ons de gierigheid in De koopman van Venetië'), daarna kwam het beschrijven van hele karakters, dan weer het verklaren van die karakters uit opvoeding en nog later via de psychologie, tegenwoordig moeten romanciers 'onze tijd' weergeven en in het bijzonder de complexiteit ervan. Garmt Stuivelink was zo iemand van wie dat moest.
- Die was niet te spreken over het bekende boek De avonden. Hij vond er niets aan. Dat boek speelt vlak na de bezetting, maar de Tweede Wereldoorlog, de Wederopbouw van Nederland, de Nederlaag van het Fascisme, het Verzet komen er helemaal niet in voor. Een boek dus, dat geheel voorbijgaat aan de Grote Historische Gebeurtenissen van die tijd. Garmt vergeleek De avonden met het dagboek van Lodewijk XVI, die op de dag van de bestorming van de Bastille in dat dagboek noteerde: ‘Rien.’ Hij had die Grote Historische Gebeurtenis eenvoudig niet opgemerkt.
- Dat was erg onrechtvaardig van Garmt, want dat dat relletje bij de Bastille een Grote Historische Gebeurtenis was is pas later bekend geworden. Garmt verwijt die Lodewijk dat hij de latere geschiedenisboekjes niet gelezen heeft.
In de 'Fragmenten' achteraan De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen wordt de kwestie kort hernomen, en zoekt Van het Reve naar verklaringen waarom zoveel meesterwerken uit de literatuur gek genoeg helemaal niet aan het werkelijkheidscriterium voldoen. Denk aan Shakespeare. Die gebrekkige motivatie heeft een functie, denkt Van het Reve, namelijk het ‘optillen’ van het relaas naar het terrein der fictie, het niet te ‘zwaar’ maken van het ding.
Ander voordeel van ontbreken van deugdelijke motivering: grotere overeenkomst met de werkelijkheid, die ook geen psychologische verklaringen bijlevert en die allerlei dingen laat gebeuren die psychologisch volstrek onverantwoord zijn. Nog een voordeel: de lezer houdt eigenlijk helemaal niet van ‘verklaringen’, van argumenten.
'Tilburgse overpeinzingen' nuanceert de al te strenge tweedeling die Abram de Swaan erop nahield: goedopgeleide liefhebbers van hoge cultuur versus laagopgeleide liefhebbers van populaire cultuur. Van het Reve brengt de nodige grijstinten aan. Om te beginnen hebben hele literaire genres in de loop der eeuwen van groep gewisseld (denk alleen al aan de roman). Kunstidealen zijn verre van absoluut.
De Swaan probeert de kunstopvattingen van groep B [laagopgeleide liefhebbers van populaire cultuur, AvdB] te formuleren, en hij doet dat met een citaat dat hij ontleent aan een zekere Pierre Bourdieu. Dat citaat luidt als volgt: ‘Voor de halfgeschoolden en de onontwikkelden moet een kunstwerk iets uitdrukken, ergens op lijken, een navoelbare emotie oproepen, of het moet van kostbaar materiaal gemaakt zijn of zichtbaar blijkgeven van grote ambachtelijke vaardigheid. Het moet er liefst netjes en goed afgewerkt uitzien en iets tot onderwerp hebben dat verheven is of van maatschappelijke gewicht. Dat het werk in zichzelf een betekenis kan hebben ontgaat hun.’
Wat Bourdieu en De Swaan zich hier geen van beiden realiseren is, dat deze formule, die naar zij zeggen de opvattingen van de ‘halfgeschoolden’ aangeeft, tot zeker het begin van deze eeuw de formule is geweest waar de meeste schrijvers, schilders, beeldhouwers en componisten en filosofen hun naam onder zouden hebben gezet. Ik geloof niet dat Goethe of Schopenhauer, Tolstoj of Toergenjev, Byron of Shelley, Multatuli of Couperus bezwaar tegen deze formulering zouden hebben gehad. Het lijkt een korte samenvatting van de Ars poetica van Horatius.
Met andere woorden: de B-groep heeft zich in de loop der eeuwen zo geëmancipeerd, dat zij zich meester gemaakt heeft van de esthetische opvattingen van de A-groep. Zij heeft die A-groep gedwongen zich terug te trekken op nieuwe stellingen, en met name op de stelling dat een kunstwerk ‘iets betekent’.
Wie een cultureel correcte smaak heeft voor één cultuuruiting, vervolgt Van het Reve, heeft ook niet noodzakelijk een fijne neus voor een andere kunstvorm (wat ik ook al aangaf in mijn bespreking van Roger Scruton). Hoge cultuur is niet zomaar gelieerd aan intelligentie. Iemand kan zeer wel verliezen van de schaakcomputer op niveau 1 maar toch schrijvers lezen die als 'moeilijk' gelden, wier werk hem wellicht lichter zal vallen dan een lichtvoetig krantenartikel. Van het Reve ziet als voornaamste punt van verschil tussen hoge en lage cultuur niet de graad van verfijning, maar de zwaarte van de sociale druk om dingen goed te vinden. De Swaan, merkt hij op, heeft het ook niet over de regulerende rol die lage cultuur speelt.

'Romein over Rusland' inventariseert de voornaamste fouten ("tataarse kozakken") in de geschriften van de Nederlandse historicus Jan Romein over Rusland. Romein, die nooit een onvertogen woord over Lenin wist, het regime prijst, en daar zelfs argumenten voor ontleent aan de officiële leer, "vooral als daar klassen, produktiemiddelen, dialectiek, grootgrondbezitters en dergelijke in figureren."

Waar precies de geestdrift vandaan komt voor extreem linkse regimes en het verloop daartussen — achtereenvolgens Rusland, Cuba, China, Vietnam en Nicaragua — komt aan bod in 'Dialoog over Nicaragua'. Van het Reve zoekt naar constanten: 1) De leider is een intellectueel van nette komaf, die aardse goederen verzaakt terwille van hogere dingen. 2) Een algemeen geachte figuur van vroeger, die, zonder zelf revolutionair te zijn, zich achter de revolutie geschaard heeft. 3) Een (al dan niet gepropageerde) blokkade om het revolutionaire land. 4) Folkloristische overblijfselen waar vertederd kan over gedaan worden. 5) De Grote Ellende in het verleden. 6) Een leider die af en toe spreekt met een westerse intellectueel die begrip heeft voor de revolutie. 7) Een echte revolutie, met lui die min of meer op eigen kracht de baas geworden zijn.

'In primeur in Moskou' memoreert van het Reve een voorval uit zijn tijd als Ruslandcorrespodent, in de jaren zestig, toen hij een omstreden tekst van Sacharov wereldkundig maakte. Kritiek op het regime door iemand tot het sovjet-establishment behoorde was not done in die dagen.
Je zou kunnen zeggen dat ik in Moskou twee taken had: als journalist moest ik mijn krant van nieuws voorzien, en bij dat nieuws waren dingen die betrekking hadden op wat men toen de ‘dissidenten’ begon te noemen. Maar als ‘mens’ had ik bovendien tot taak om dat nieuws over die dissidenten door te geven niet alleen aan mijn eigen krant, maar aan de wereldpers.
'Een niet populaire dichter' verscheen eerder als ten geleide bij de dichtbundel Het glas dat geen leugens verdraagt van Vladislav Chodasevitsj.

'Het totalitaire zinderen' is een korte samenvatting van De totalitaire paradox, het boek waarin Erik van Ree aangeeft dat totalitaire structuren bizar genoeg steunen op fanatieke en enthousiaste participatie van belangrijke delen van de actieve bevolking. Pas als iedereen aan de terreur mag meedoen, is de vreugde algemeen. Van Ree:
Massale participatie mag dan een democratisch gebeuren zijn, dat betekent nog niet dat de vrijheid van mensen er automatisch mee gediend is. Een geactiveerde massa is omgeven door een sterk waas van legitimiteit, haar handelingen en uitspraken maken een onaantastbare indruk. De druk op het individu kan tot onaanvaardbare hoogte stijgen.
'Tom Sawyer in Rusland' is in mijn ogen een werkelijk voorbeeldige boekbespreking in het genre dat wellicht dat wellicht het lastigst is om te bespreken: de biografie. Van het Reve kent de gebiografeerde (Solzjenitsyn) natuurlijk goed, wijst op de kwaliteiten en gebreken van Scammell, de biograaf, en geeft terloops de moeilijkheden van zijn onderneming aan.
Solzjenitsyn is een erg ‘autobiografisch’ schrijver. Neem je dat ‘eigen’ beeld over, dan had je net zo goed thuis kunnen blijven. Je krijgt dan een biografie als die van Henriëtte Roland Holst over Tolstoj: wat zij over hem vertelt wisten wij al van Tolstoj zelf.
Het beeld dat mensen van Tolstoj en Solzjenitsyn van zichzelf geven doorbreken is heel moeilijk. Solzjenitsyn weet veel meer over leven en karakter en Solzjenitsyn dan zijn biograaf, en hij schrijft beter dan zijn biograaf – al schrijft Scammell zeer leesbaar en al weet hij veel.
Als het nu nog zo was dat alles wat Solzjenitsyn over zichzelf vertelt gelogen was, dan was het eenvoudig een kwestie van ‘debunking’. Maar zo eenvoudig is het niet. Het meeste wat Solzjenitsyn over zichzelf vertelt is waar. Daarbij heeft hij de eigenaardigheid dat hij — in navolging van Tolstoj, die het weer van Rousseau had — geneigd is van zichzelf bepaalde dingen te vertellen die zo slecht zijn, dat de meeste andere mensen te verzwijgen, maar die juist omdat ze zo beschamend zijn de verteller een aureool van grote nederigheid en eerlijkheid te geven. Het gevaar dat de biograaf hier bedreigt is tweevoudig. Hij moet opassen voor de overdrijving waaraan de held zich schuldig maakt, en hij moet begrijpen dat er een aantal andere slechte dingen zijn die de hel, omdat zij hem minder goed uitkomen, nu juist niet vertelt.
Uit 'Ontmoetingen met Elsschot' leer ik dat Gerard Walschap en Marnix Gijsen, twee katholieke redacteuren van Forum, ooit gekwetst werden door bepaalde zaken in de tekst van Tsjip. Van het Reve spreekt ook zijn verlangen uit naar een editie met alle brieven van Elsschot — een boek dat er inmiddels is (Brieven, Querido, 1993).

In 'Sinterklaas 1944' legt Van het Reve de Tweede Wereldoorlog uit voor mensen die 'm niet hebben meegemaakt, en daar een hele verkeerde voorstelling van hebben, al dan niet door een verkeerde lezing van oorlogsboeken en -documentaires.
In de Ilias, een heel lang gedicht (15693 regels) dat duizenden jaren geleden gemaakt is en toegeschreven wordt aan een misschien nooit bestaan hebbende dichter Homerus, wordt de stad Troje belegerd door Grieken en vinden gevechten plaats tussen Grieken en Trojanen. In zo’n gevecht raken soms een bekende Griek en een bekende Trojaan slaags, en het leuke van Horatius is, dat hij tijdens zo’n duel de rest van de veldslag even stilzet. In werkelijkheid gaat het natuurlijk niet zo. Maar je kunt dingen die gelijktijdig gebeuren nu eenmaal niet gelijktijdig vertellen, en daarom laat Homerus de dingen die hij na elkaar vertelt ook na elkaar gebeuren.
Iets dergelijks heb je met de Tweede Wereldoorlog. Mensen die de bezetting niet hebben meegemaakt lijken soms te denken dat het gewone leven in Nederland stil stond, terwijl de schokkende dingen die Lou de Jong beschrijft gebeurden. […]
De gemiddelde Nederlander had minder last van de bezetting dan je zou denken. Je kon natuurlijk een gealieerde bom op je hoofd krijgen of als gijzelaar worden doodgeschoten. Maar dat gebeurde niet zo vaak. Je kon toevallig in Arnhem of Oostburg wonen en moeten vluchten of in de kelder zitten terwijl de stad boven je hoofd in elkaar geschoten werd. Maar de meeste Nederlanders woonden in steden en dorpen waar nooit gevochten is en zelden of nooit een bom viel. De meeste Nederlanders waren geen joden en hoefden dus niet vergast te worden.
Een boek om te kopen, te lezen en te herlezen.

[afbeelding via Hoeiboei]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Van het Reve op Achille: Luisteraars! en Freud, Stalin en Dostojevski

Karel van het Reve, De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen
211 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1987



Nog een paar losse fragmenten:
De eis dat een schrijver ‘van deze tijd’ moet zijn is zinloos en dwaas. Dwaas en onrechtvaardig is ook, dat iemand die als ‘modern’ geldt vaak zelf niet onderworpen wordt aan de redenering dat wat voorbij is als verouderd moet worden beschouwd. Schönberg is allang dood, als je hem hoort denk je: ‘Wenen, 1910’, maar hij zal nog lang als ‘modern’ gelden. Zo staat Freud nog steeds bekend als iemand die de ‘verouderde’ victoriaanse opvattingen over seksualiteit omver wierp en daar ‘moderne’ opvattingen voor in de plaats stelde. Niemand, of bijna niemand, heeft oog voor het juist zo victoriaanse van Freuds opvattingen. Beiden, de victorianen en de freudianen, zien in een tafelpoot een seksueel symbool en verbieden ons een tafelpoot een tafelpoot te noemen.

[...]

Men zegt wel dat de mens ‘met rede begaafd’ is en dat de mens zich door die ‘rede’ van het ‘redeloze’ dier onderscheid. Er is veel voor het omgekeerde te zeggen. Wie heeft ooit een dier iets onredelijks zien doen? Natuurlijk doet een dier vaak iets dat wij geneigd zijn onverstandig te noemen, maar zo’n handeling is dan te wijten, lijkt het, aan onwetendheid of aan een aangeboren neiging om in een bepaalde situatie op een bepaalde manier te handelen: een paard schrikt van iets dat helemaal geen bedreiging voor dat paard vormt. Maar een paard heeft nu eenmaal de neiging om van iets onbekends te schrikken. […] De mens heeft, lijkt het, de neiging om uit een oneindig aantal mogelijke dingen (beweringen, handelingen) op volstrekt willekeurige wijze één te kiezen en die dan voor juist te houden. In plaats van dat bloed aftappen [om een zieke vroeger te genezen, AvdB] had men net zo goed iets anders onzinnigs kunnen nemen: een gewicht van vijfhonderd gram aan het linker oor hangen, de voeten in paardepis baden. Maar juist dat onredelijke, dat ad random iets kiezen en daar dan — met eventueel een onredelijke redenering — aan vasthouden ‘verheft’ de mens boven het dier. Uitvindingen, ontdekkingen komen op die manier tot stand.

[...]

De Amerikaanse dectetiveschrijver Dashiell Hammett formuleert het ideaal van een schrijver als volgt: je wilt dat wat je schrijft in miljoenen exemplaren verkocht wordt, dat iedereen op wiens oordeel je prijs stelt het mooi vindt en dat die toestand enige honderden jaren duurt. Als die toestand niet intreedt pleeg je geen zelfmoord, maar je gaat gewoon door met schrijven.

[...]

In het algemeen laat zich [...] met enige overdrijving zeggen dat het publiek alleen informatie aanvaardt die herkenbaar is, die een herhaling of variatie is van wat men al eerder vernomen heeft. Iets nieuws wordt moeilijk geaccepteerd. Het wordt niet eens afgekeurd of verworpen: het wordt eenvoudig niet opgemerkt.

[...]

Met de uitspraak ‘niets menselijks is mij vreemd’ heb ik altijd moeite gehad. Mij is juist veel menselijks vreemd. Mensen die echt genieten van Bruckner of een leeg sigarettenpakje uit het raam van hun auto gooien doen dingen die ik volstrekt niet kan begrijpen.
____

zondag 8 november 2009

De helaasheid der dingen

Het is weinigen gegeven recensies zo attractief te schrijven dat ze op zichzelf kunnen staan. En neen, ik ben daar geen uitzondering op. Recensies beginnen voor mij pas te leven als ik zelf het boek gelezen, zelf de film gezien, zelf de plaat gehoord heb. In het andere geval zadelen ze me alleen maar op met vooroordelen. Ik ben veel gevoeliger voor meningen op papier dan ik zou willen. Daarom lees ik ze haast nooit vooraf.

Daarom ook heb ik zo'n gruwelijke hekel aan hypes, omdat dan niet aan die manipulatie te ontkomen valt. Van de film De helaasheid der dingen wist ik alles al, zonder ook maar één seconde pellicule te hebben gezien. Dat hoort niet, dat klopt niet.

Niet dat ik ook maar één hype geloof. Hypes misvormen me op een andere manier. Ze maken de snob in mij wakker, die automatisch zoekt naar argumenten die de algemene bijval moeten ontkrachten. Leuk voor even, maar eigenlijk niet wat ik zoek. Ik wil zo ontvankelijk mogelijk kunnen kijken, en daar achteraf in een zo groot mogelijk vacuüm een mening over vormen. Met het risico dat ik de plank volledig missla.

Maar goed, laat ik vaart maken: Felix van Groeningen heeft de roman van Dimitri Verhulst redelijk trouw verfilmt, en neemt daarmee ook alle onhebbelijkheden over van dat boek.

De helaas der dingen speelt in een Vlaams dorpje dat "door de grote cartografen genegeerd werd" — een grap die Garrisson Keillor twintig jaar eerder met meer brio heeft uitgewerkt. Een jong kereltje, Gunther, blikt terug op zijn lastige jeugd in een ontwricht gezin. Hij woont bij zijn grootmoeder, temidden van zijn drankzuchtige vader en dito nonkels.

Vooraf was ik sterk bijvooroordeeld over de acteurs. Op stills zag ik geen marginale nonkels, maar het kruim van het Vlaamse theater met een plaksnor op. Te jong, te schoon, te gesofistikeerd. Dat vooroordeel werd niet weggenomen, maar dat kan Koen De Graeve, Wouter Hendrickx en Johan Heldenbergh nauwelijks aangewreven worden. Hun spel is onberispelijk.

We zien de ene zwijnerij na de andere. Alles oogt authentiek. Van Groeningen brengt de excessen intelligent in beeld. Zijn montage swingt. Het kleurenpalet is prachtig. De grove jaren tachtig-korrel zwiert me terug naar mijn eigen jeugd. Hoogtepunten zijn net als in het boek alle drinkwedstrijden, waaronder 'de Ronde van Frankrijk'. Het bioscooppubliek lacht. Ik lach.

Alleen is de film een paternoster. Een ketting gelijksoortige, nevengeschikte scènes. Van mij moet elke scène van een film iets meer vertellen over de personages. Verfijnen, nuanceren, veronderstellingen oproepen en die waar nodig tegenspreken. De helaasheid banjert maar door op het ingeslagen pad.

Het gaat voor mij ook mis wanneer Felix van Groeningen de voice-over inzet, met de commentaren van een volwassen, inmiddels schrijver geworden Gunther. Het is hét zwaktebod bij verfilmde boeken, en weinig regisseurs weten die kunstgreep te ontwijken.

Van Groeningen, te goeder trouw, gebruikt zinnetjes uit het boek (hoewel, komt de wrange lofzang op de Vlaamse achtertuintjes gezien vanuit de trein niet uit Dinsdagland?). Hij springt er spaarzaam mee om, maar had die lijzige stem buiten beeld beter helemáál weggelaten. Wat er mis aan is, heb ik al uitgelegd in mijn recensie van het boek.

Verhulst kan goed verwachtingen wekken, schrijft copieuze introducties bij gebeurtenissen die op til zijn, maar ontneemt de lezer daarbij het zicht op zijn (voorlopig?) matig ontwikkeld talent om via drama en suggestie dingen duidelijk te maken.

[...]

Wat naturel zou moeten overkomen, oogt nu in scène gezet. Verhulst becommentarieert zijn eigen vertelling lam. De meeste van zijn hoofdstukken lijken daarom op juwelendoosjes met veel fluwelen binnenbekleding, waar dan in het midden een piepklein ringetje is uitgespaard. Van nikkel.

[...]

Een ander probleem is, dat wanneer Verhulst registreert en interpreteert in één beweging door, hij dat doet in een verschillend register. Bij hem werkt dat niet. Naturalistisch bedoelde dialoog wordt vaak geneutraliseerd door een bleekneuzig begrip dat eigenlijk toebehoort aan de goed opgeleide middenklasse.
Ook mijn laatste bedenking maakte ik al na het lezen van de roman. De horizon van De helaasheid der dingen is erg beperkt. De enige momenten waarop de rest van de wereld even naarbinnen sijpelt, is wanneer politie, deurwaarder of de Dienst Bijzondere Jeugdzorg aanbellen bij het gezin Strobbe/Verhulst.

Ik had meer afstand verwacht, en vooral: willen weten hoe de successchrijver uiteindelijk aan dat milieu is ontsnapt. De film suggereert eventjes de link tussen het schrijven van strafwerk en de latere romans van Gunther Strobbe/Dimitri Verhulst. Fijn, en romantisch, maar mij onvoldoende.

Voorts snap ik niet waarom zo'n Felix van Groeningen als een van de redders van de vaderlandse cinema wordt beschouwd. Wat maakt zijn film zo bijzonder?

Het moet in het midden van de jaren tachtig geweest zijn. Ik speelde nog met Playmobil, terwijl mijn ouders op zondag naar die tv-films uit de reeks 'Made in Vlaanderen' keken. Zompige scenario's, bruine beelden, topzwaar binnenhuisdrama, over mensen die nooit ook maar één poging ondernamen zich uit de Vlaamse klei op te werken.

En kijk, met Van Groeningen zijn we weer helemaal terug bij af. Technisch vakmanschap, snelle beeldwisseling (mijn vrouw werd er misselijk van en moest de zaal verlaten, echt waar) en een duidelijke keuze voor naturel en dialect veranderen daar niet zo veel aan. Van zo'n jonge filmmaker vind ik dat eigenlijk te treurig voor woorden.

Het rare, het onverklaarbare, is wel dat mijn depreciatie niet wordt gewerkt als ik zo'n Luc De Vos lees. De Vos doet wat Verhulst doet: zijn naïeve jeugdjaren tot moes becommentariëren. Niet tonen, maar uitleggen. Waarom lees ik hem wel graag?

Ik denk daar nog steeds over na, zeker nu ik De Vos zo heb geprezen deze week, wat kort daarop met deugdelijke argumenten in vraag werd gesteld. Misschien komt het omdat De Vos met zijn commentaar voornamelijk humor najaagt (en daar wat mij betreft in slaagt), terwijl de duiding van Verhulst de aandacht moet richten op zijn stilistische vermogens, die groter zijn dan zijn evocatief talent.

Daarnaast voel ik een zekere weerzin wanneer marginale types als de nonkels uit De helaasheid een heroïek worden toegedicht die ze in mijn ogen niet verdienen. De Vos komt al evenmin uit een intellectueel milieu, maar wel uit een gezin dat zich fatsoenlijk gedraagt en daar zijn gevoel van eigenwaarde uit puurt. Dat raakt me heel direct, of ik dat nu wil of niet, trots op ben of niet. Ik kom zelf uit zo'n gezin.

> http://www.imdb.com/title/tt1075110/

____

vrijdag 6 november 2009

The diary of H.L. Mencken - H.L. Mencken

Het werk van auteurs die ik alleen van reputatie ken, benader ik vaak eerst via de brieven en de dagboeken. Zeker als ze niet uitdrukkelijk voor publicatie bedoeld zijn, brengen die een correctief op het beeld dat uit het officiële werk oprijst. De gevreesde polemist H.L. Mencken is ook diegene die vele dagboekbladen wijdt aan zijn zieke secretaresse. De rationalist en scepticus H.L. Mencken is ook diegene die nogal sussend doet over de fascistische oprispingen van Ezra Pound.

De grote Amerikaanse journalist, criticus en filoloog H.L. Mencken (1880-1956) kende ik voornamelijk als leverancier van bon mots en van een best of-uitgave die ik vaak doorblader, hopend op meer tijd en rust om dat boek eens goed onder handen te nemen (lees: volgend jaar). Omdat een dagboek minder verplichtingen schept, bestelde ik alvast dit Diary bij Powell's.

Mencken was een van de toonaangevende krantenmannen uit het begin van vorige eeuw: een van de breinen achter The Smart Set, medeoprichter van The American Mercury, verbonden aan de Baltimore Morning Herald, later aan de Baltimore Sun. Zijn glorieperiode lag in de jaren twintig, toen hij zo'n beetje het boegbeeld was van de Amerikaanse kritiek.

In zijn bedragen betoonde Mencken zich nurks, rechtdoorzee en bang voor niemand. Hoewel zijn Monday Articles — "in which he set forth his unabashed and frequently outrageous opinions on Harding, Coolidge, Hoover, Socialism, Prohibition, censorship, Fundamentalism, Methodists, the South and its whole culture, the Bible Belt and all the political and social issues of the day", aldus de bezorger van het dagboek — in een regionale krant verschenen, waren ze tot ver buiten de statengrenzen bekend.

Berucht zijn de onredelijke tirades tegen president Roosevelt en diens New Deal-politiek. Mencken kon Roosevelt ("a fraud from snout to tail") en zijn vrouw ("her sympathy for the poor showel-leaners was plainly that of a kindly doctor, not that of a suffering fellow patient") simpelweg niet uitstaan. Onbuigzaam conservatisme en "sweeping generalizations" waren Menckens handelsmerk.

Off the record
Mencken begint pas op gevorderde leeftijd een dagboek bij te houden, op zijn vijftigste. Hij is dan al in zekere zin op zijn retour. Zijn populariteit is getaand in de jaren dertig, zijn humor wordt voor gedateerd versleten, er is de aanvaring met Roosevelt en kort na het opzetten van het dagboek overlijdt de vrouw waar hij een vijftal zeer gelukkige huwelijksjaren mee heeft beleefd. Na mei 1935 wordt het dagboek dan ook een paar jaar opgeschort. Over de dood van Sara Haardt Mencken nauwelijks een woord. Pas vijf jaar later (p. 139 e.v.) schrijft Mencken een prachtig, bladzijdenlang in memoriam voor haar.

I have never known a more rational woman, nor another half so charming. She was far too reserved to be described as a popular favorite, but she always made a good impression on people of sense, and it delighted me to see how all my old friends liked her.
Het dagboek van Mencken berustte bij de Enoch Pratt Library in Baltimore en mocht pas vijfentwintig jaar na de dood van de schrijver prijsgegeven worden. In deze handelseditie, verschenen bij Menckens vaste uitgever Knopf, wordt het typoscript herleid tot een derde van de oorspronkelijke omvang. Herhalingen, ambtelijke documenten en een deel van de hypochondrische zelfontleding van de schrijver werden weggelaten. Zelfs met die omissies is lichamelijk ongemak een leidmotief. Vooral in het tweede deel van het dagboek blijft de eigen én andermans gezondheid aanleiding voor lange, punctuele notities. Niet toevallig leveren de gesprekken met medici pakkende entries op.
Dr. F.E. Townsend, the old age pension man, dropped off in Baltimore yesterday and I took him to lunch at the Belvedere. […] He added some interesting reminiscences of his days as a doctor practising among poor people. Once, he said, he was called on to deliver a moron girl who was having an illegitimate child. It turned out when the child was born that it was stone blind. A gonococcal infection in the mother had worked its way into the uterus and had destroyed the child’s eyes before any measures could be taken against it. Townsend said he looked at the poor creature, which was a girl, and said to himself: “What a dreadful life lies ahead of you. Here you are — a girl, stone blind and illegitimate, with a half-idiotic mother. What chance have you in this world?” His answer to his own question, he said, was to load a syringe with a lethal dose of morphine and inject it into the poor baby’s arm. An hour later it was an angel. [2 juni 1943]
The diary of H.L. Mencken is op enkele uitgewerkte portrettten na geen literair dagboek. Daarom klampt de lezer zich in het begin dankbaar vast aan Menckens ontmoetingen en/of typeringen van beroemde schrijvers, zoals kersvers Nobelprijswinnaar Sinclair Lewis ("The public will expect a masterpiece from him, and his new publisher will count on a best-seller"), Theodore Dreiser (p. 21), James M. Cain (p. 30), Dashiell Hammett (p. 41), F. Scott Fitzgerald en zijn wankele vrouw Zelda (p. 44 en 56) en T.S. Eliot (p. 55).
Dos Passos is an extremely amiable fellow, but seldom has anything to say. The result is that the other party must bear the whole burden of the conversation. Ik have never heard Dos Passos venture upon an argument, or even advance an idea. Altogether, my brief session with him was amicable, but somewhat fatiguing, and I left him as soon as possible.

[...]

James Thurber of the New Yorker is in Baltimore this week, revising a play. It is being performed at the Maryland theatre, and apparently needs a considerable rewriting. Paul Patterson entertained Thurber at the Sun office yesterday, and I had a chance to talk to him. He was full of curious stuff about [Harold] Ross, editor of the New Yorker. He said that Ross never reads anything except New Yorker manuscripts. His library consists of three books. One is Mark Twain’s Life on the Mississippi; the second is a book by a man named Spencer, falsely assumed by Ross to be Herbert Spencer, and the third is a treatise on the migration of eels. Despite this avoidance of reading, Ross is a really first-rate editor. More than once, standing out against the advice of all his staff, he has proved ultimately that he was right. Thurber said that he is a philistine in all the other arts. He regards painting as a kind of lunacy, and music as almost immoral.
Eigenlijk heb je aan de voetnoten voldoende om een mooi panorama te krijgen van literair Amerika in de jaren dertig en veertig. Die noten zijn hard nodig. Maar dan, verscholen tussen al die mensen en gebeurtenissen die hedendaagse lezers niets meer zeggen, glinstert toch hier en daar een pakkend detail dat de epoche tekent. Schrijver zus of zo en zijn banden met het communisme. Al Capone in het ziekenhuis. De vele diners met hoge clericale piefen die de drooglegging willen heringevoerd zien. De vele speeches die Mencken moet incasseren, en die maar zelden het optekenen waard zijn.
Paul Patterson gave a dinner at the Maryland Club last night to Haley of the Manchester Guardian. The guests were principally the younger executives of the Sun. Captain Leland P. Lovette, U.S.N., came over from Washington and with him he brought one of his associates, Commander Barry. I did not go to the dinner, but dropped in afterward. As I entered Barry was finishing a speech. It seemed rather boastful and hollow to me, and I was not surprised to discover afterward that Barry was somewhat in liquor.
Haley had made a speech before I got in, but he was called on for another later on. This second one was very brief and was mainly devoted to describing a press conference at Navy headquarters in Hawaii. A number of newspaper correspondents were present and the chief hero on exhibition was the commander of an American submarine squadron on the Japanese front. This commander reported that he had sunk three or four small transports and probably disposed of several thousand Japanese soldiers. One of the reporters asked him what he had done when those soldiers were thrown into the water. His answer was: “I machine-gunned the sons of bitches.” The officer in charge of the conference thereupon said to the reporters: “Please remember, gentlemen, this is off the record.” [9 april 1943]
Zeker in het eerste deel ontmoet Mencken veel mensen — bisschoppen, senatoren, bladenmakers, ontwerpers van oorlogsschepen, you name it. Soms typeert hij hen met een zinnetje, soms, vooral in de slotjaren van het dagboek, krijgt het portret de allure van een definitieve inventaris (zie het profiel van anatomisch tekenaar Max Brödel, p. 165; vanaf de jaren veertig worden alle entries een stuk langer). Tussen haakjes: altijd heeft Mencken een woord over voor de vrouwen van zijn tafelgasten.

Uitgever Alfred Knopf duikt geregeld op in het dagboek. Knopf en Mencken waren goede vrienden. Mencken wist ook wat het betekende om met schrijvers om te gaan ("When authors quarrel with their publishers I usually sympathize with the publishers, for they are nearly always in the right") en was allesbehalve het wereldvreemde kunstenaarstype. Hij bemoeide zich met de distributie en typografie van zijn boeken, hield de oplagen goed in de gaten en woonde de aandeelhoudersvergadering van de uitgeverij bij. Mencken was zoals gezegd een conservatief, die vond dat een overheid zichzelf zoveel mogelijk moest wegcijferen; een echte vent redt zichzelf wel, zonder betutteling van hoger hand. Vandaar de vele cijfers in het dagboek, van salarissen en andere inkomsten. Mencken wist wat-ie waard was.
Dreiser showed me some of the Russian translations of his books. They are wretchedly printed, but they seem to be selling pretty well, for he said that his cash revenues from Russia amounted so far to $5,000. The Russians treat him with unusual politeness. Ordinarily an American author is paid in rubles and must go to Russia to receive and spend them. There is no way for him to get them out of the country. But Dreiser said that the Russians send him his own money in international funds. [5 december 1934]


Chronic opposition to the reigning quacks
In de laatste vijf jaren van het dagboek, wanneer de directe bijdragen van Mencken aan de lokale kranten ophouden, en hij nog voornamelijk een adviserende functie bekleedt, uit hij frequent zijn ongenoegen over de devaluatie van de geschreven pers. De persberichten die door de Amerikaanse ministeries worden uitgespuwd zijn nauwelijks meer bij te houden en worden klakkeloos overgenomen; kranten willen investeren in een radiozender, wat Mencken een gruwel is; journalisten laten onvoldoende kritische geluiden horen; vrije meningsuiting is niet meer dan een goeie grap.

The function of a newspaper in a democracy is to stand as a sort of chronic opposition to the reigning quacks. The minute it begins to try to out-whoop them it forfeits its character and becomes ridiculous. I believe that many people already notice this deterioration, and that it is responsible to some extent for the movement toward the radio. [3 juni 1940]

[...]

The present editorial position of the Sun is both amusing and depressing. It represents the complete negation of the program formulated with such elobarate care in 1920. The fundamental aim of that program was to ged rid of the platitudinous blather that had marked the paper’s editorial course during the first World War. Specifically, it was hoped that foreign news could be purged of its propaganda and presented in a frank and realistic manner. To that end a bureau was set up in London, the Manchester Guardian dispatches were taken on, and efforts were made to find competent correspondents in all the other principal countries of the world. All this is now out of the window. The foreign editorials that have been printed since the beginning of the present war have been pitifully idiotic. Their obvious aim has not been to unearth and tell the truth, but simply to offer consolation to Anglomaniacs. It would be amusing to reprint some of them six months afterward. They have all predicted English triumphs, both military and diplomatic, that have never come off.

[…]

The editorial writing on the Sun in general is certainly quite as good as that on any other major American paper. The principal editorial writers know how to write sound English, and some of them even have some grace of style. Unfortunately, they are men of conventional mind, and several of them are notably stupid. Gerald W. Johnson is an example. The content of his mind is what one would expect to find in that of any other second-rate Southerner. He knows how to put it into graceful English, but there is never anything in it at bottom. [13 november 1940]

[...]

On March 29, Palm Sunday, there were 22 inches of snow in Baltimore. The Sun of yesterday, of course, had to mention the storm, but it did not give the snowfall — something that every reader was speculating about. I complained at the office today that this was an absurd excess of compliance with the war-time order against giving weather information that could be of use to the public enemy. I argued that if there were actually any rule against giving snowfalls or rainfalls it ought to be resisted as senseless. So far as I could make out, no such rule has been issued: the omission of the snowfall was a mere effort to bend backward. This seems to me to be a ridiculous and even a dangerous attitude for a newspaper to take. In war, as in peace, it should try to ascertain the truth about all public matters, and save when the danger to the national security is clear and real it should tell that truth, Dogberrys or no Dogberrys. But that is a doctrine that seems to have been abandoned in the Sun office. It was made official by the White Paper of 1920, but the White Paper of 1920 is as dead as the Constitution of the United States. [31 maart 1942]

[...]

All this does not distress me too greatly, though I have given my whole life to newspapers. I am convinced that they have abandoned their functions, and in an abject and ignominious manner, in the present war. Nine-tenths of them, and even more than nine-tenths, print the official blather without any attempt to scrutinize it. No matter how preposterous it may be they never challenge it. Those that have correspondents of their own, including the Sunpapers, are just as bad as those that depend on the press associations. It is a disgraceful spectacle, but I do not believe that anything can be done about it. Roosevelt has taken the press into camp as certainly a she has taken the Supreme Court. It has ceased altogether to be independent and has become docilely official. If there is ever any revolt it is much more likely to be led by the radio than by the newspapers. [10 juni 1944]

[...]

The common notion that free speech prevails in the United States always makes me laugh. It is actually hedged in enormously both in peace and in war. All the ideas with which my name is associated had to be launched during the interval between 1925 and 1940, and even in that interval there were several attempts to silence me — for example, the “Hatrack” episode. Twice in one lifetime I have been forced to shut down altogether — first in 1916 en then in 1941. Even during the interval I have mentioned I was constantly menaced by censorships of a dozen different varieties, and they greatly incommoded me while I was editing the American Mercury. The American people, I am convinced, really detest free speech. At the slightest alarm they are ready and eager to put it down. Looking back, I sometimes marvel that I managed, despite this implacable hostility, to launch some of my notions. War, in this country, wipes out all the rules of fair play, even those prevailing among wild animals. Even the dissenters from the prevailing balderdash seek to escape the penalties of dissent by whooping up the official doctrine. From that ignominy, at all events, I have managed to escape. I have not written a line in this war, and I wrote none in the last, that I am not prepared to ratify today. There has been no acquiescence in my enforced silence.
It is highly improbable that even the rudiments of free speech will be restored in my time, as they began to be restored in 1925. There will be a state of war so long as Roosevelt is in office, for if he made peace he would lose all his war powers, and his disintegration would follow quickly. Thus I’ll never see any freedom again. It is hardly a prospect to fill me with patriotic frenzy. The government I live under has been my enemy all my active life. When it has not been engaged in silencing me it has been engaged in robbing me. So far as I can recall I have never had any contract with it that was not an outrage on my dignity and an attack upon my security. [1 april 1945]

In het licht van dit alles is het alleen bijzonder vreemd hoe weinig present de Tweede Wereldoorlog is in de dagboeken van Mencken. Privé maakt de grote opiniemaker vooral een persoonlijke balans op van de verre vijandelijkheden. Een pijnlijke vaststelling.
It is astonishing how little the war impinges upon me. I am, of course, rooked like everyone else by excessive taxes, and now and then some eatable that I like is unprocurable (or procurable only by giving up an enormous number of ration points); but in general I am hardly affected by the great effort to save humanity and ruin the United States. So far, no one that I know has been killed in the war, or even injured, and I find it hard to pump up any interest in the tall talk in the newspapers every day. It is no wonder that those who take it seriously are convinced that the war will be over in a few months, or even a few weeks. There are occasional complaints in the Editor and Publisher, from correspondents returned from the field, against the boastful nonsense given out by Army and Navy headquarters, but the newspapers print it without questioning it. The Sunpapers lead in this patriotic work. Their correspondence from the various fronts seldom undertakes to tell precisely what is going on: it is simply rooting for the home team. I long ago gave up protesting against it. Paul Patterson not only believes that it is what the readers of the Sunpapers want; he also swallows most of it himself. I have some doubt myself that anything better would be feasible. If any effort were made to report the war objectively and truthfully there would be a public sensation, and a great deal more denunciation than approval. The American people are now wholly at the mercy of demagogues, and it would take a revolution to liberate and disillusion them. I see no sign of any such revolution, either in the immediate future or within the next generation. When the soldiers come home it will become infamous to doubt — and dangerous to life and limb. [2 november 1944]
Over Hitler slechts één echte aantekening. Een anekdote van horen zeggen.
H.R. Knickerbocker, foreign correspondent for Hearst, was in Baltimore last night delivering a lecture. I met him later, and for the first time. His appearance rather asthonished me. He was born in Texas and is the son of a Protestant preacher, but he looks decidedly Jewish. He has the reddish hair of a blond Jew, along with the faint freckles and pinkish eyes.
He told me that he was well acquainted with Hitler, and used to see him relatively frequently in the days before Hitler came to power. At that time there were rumors that Hitler’s iron cross was bogus, and Knickerbocker one day ventured to ask him about it. Hitler said that he had got it in the following manner:
During the war he was a dispatch rider, and one day he was sent across a part of the front that was a kind of No Man’s Land. The Germans assumed that there were no Frenchmen in it, but when he had got half way across Hitler heard French voices and on investigation found that there were a number of Frenchman in a dugout. Hitler approached the only entrance and barked several loud orders, hoping to convince the men within that a considerable German party was above. The trick worked, and in a few minutes Hitler had the Frenchmen coming out one by one, their hands in the air. He was armed only with a pistol, but inasmuch as they came out wholly unarmed, he was able to line them up and march them back to the German lines. It was for this exploit that he received the iron cross.
Knickerbocker said that the story was told to him in the presence of an English correspondent. When it was finished Hitler said politely: “If these Frenchmen had been either Englishmen or Americans the chances are that I’d not be here.”
Knickerbocker said that Hitler in his private relations is a very amiable fellow, and has a considerable sense of humor. But whenever he gets on public matters he begins to orate. Knickerbocker said that he’ll start in an ordinary tone of voice and that in a few minutes he’ll be howling loke a stump speaker, with his arms sawing in the air.
Knickerbocker is also acquainted with Mussolini. He told me that Mussolini hates Hitler violently, and will undoubtedly walk out on him at the first chance. [11 november 1938]
Mencken brengt in die jaren liever zijn archieven op orde en profiteert van het rustige isolement om aan een monumentale, meerdelige autobiografie over zijn veertigjarige carrière bij de krant te werken. Hij voltooit nog enkele andere grote projecten. Een citatenwoordenboek. De update van The American language. Mencken is nog steeds geabonneerd op tientallen tijdschriften om actueel materiaal te vergaren voor dat laatste boek. Het dagboek laat mooi zien hoe een auteur vóór het digitale tijdperk zich door enorme pakken papier moest werken. En dat terwijl uitputting en geheugenverlies de oude Mencken parten spelen.

Voor het overige ziet Mencken steeds meer sterfgevallen van generatiegenoten om zich heen — reden om herhaaldelijk de balans op te maken van een rijkgevuld leven. "My life, in brief, has been regulated by purely selfish motives, but I believe I have carried out my actual obligations with reasonable diligence and good humor."

In 1948 wordt Mencken geveld door een trombose. Waar hij zo voor gevreesd had, gebeurt dan toch: hij herstelt, maar lezen en schrijven zit er niet meer in. Mencken sterft zeven jaar later.

[afbeelding: 'Mencken working on the galley proofs of The American language', overgenomen uit het boek]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van auteurs die Mencken ter sprake brengt in de commentaren hieronder

H.L. Mencken, The diary of H.L. Mencken
510 p.
Uitgeverij Knopf, 1989

____

donderdag 5 november 2009

Geen zal ooit zoveel weten als hij zou moeten weten

Ik veronderstel dat het voornaamste dilemma van de traditionele of klassieke of puur deductieve of de combineren-en-deduceren speurdersroman ligt in het feit, dat elke benadering van de perfectie een combinatie van eigenschappen vergt die niet in één brein te vinden zijn. De koel-construerende schrijver komt niet tegelijkertijd met levensechte personen, met een scherpe dialoog, met gevoel voor tempo, en met een scherpzinnige toepassing van waargenomen details. De strenge logicus heeft evenveel sfeer als een tekenplank. De wetenschappelijke speurder heeft een glanzend, nieuw laboratorium maar niemand zal het mij euvel duiden dat ik me zijn gezicht niet meer kan herinneren. De schrijver die een levendig en kleurrijk proza weet te schrijven zal zich gewoon niet druk maken over het koeliewerk dat het ontrafelen van een waterdicht alibi is.
De kampioen van de ongewone kennis leeft psychologisch in de eeuw van de hoepelrok. Wie alles weet van keramiek en Egyptisch handwerken weet helemaal niets van de politie. Wie weet dat platina niet onder een temperatuur van 1850 graden Celsius vanzelf smelt, maar wel door de blik uit een paar blauwe ogen als je het dichtbij een staaf lood legt, weet niet hoe mensen in de twintigste eeuw liefhebben. En wie genoeg weet van de elegante flânerie van de vooroorlogse Franse Rivièra om zijn verhaal de nodige couleur locale te kunnen geven weet nog niet dat een paar capsules barbital die klein genoeg zijn om door te slikken een mens niet kunnen doden — hij zal er zelfs niet van in slaap vallen als hij zich daartegen verzet.
Elke schrijver van detectiveverhalen maakt dezelfde fouten, en geen zal ooit zoveel weten als hij zou moeten weten. Conan Doyle beging vergissingen die sommige van zijn verhalen totaal ondeugdelijk maken, maar hij was een pionier, en tenslotte is Sherlock Holmes niet veel meer dan een levenswijze en enkele tientallen regels onvergetelijke dialoog. Ik kan alleen niet tegen de dames en heren van wat Howard Haycraft (in zijn boek Murder for pleasure) de Gouden Eeuw van de detective noemt. Deze eeuw ligt niet ver achter ons. Voor Haycraft begint zij na de Eerste Wereldoorlog en duurt zij voort tot ongeveer 1930. In de praktijk duurt zij nog steeds voort. Tweederde of driekwart van alle gepubliceerde detectiveverhalen houdt zich nog steeds aan de formule die reuzen van dit tijdperk hebben geschapen, geperfectioneerd, bijgeschaafd en aan de wereld verkocht als probleem van logica en deductie.
Raymond Chandler, in het essay The simple art of murder
opgenomen en vertaald in: Moord is een koud kunstje

____